Als architectuurstudent werkte hij voor MUST-Stedenbouw en OMA. Zijn professionele carrière begon hij bij Sergison Bates Architects en David Chipperfield Architects. En toch landde Jan Vermeulen (Studio Jan Vermeulen) na vijftien jaar in het buitenland uiteindelijk opnieuw in België. In Brussel, meer bepaald, waar hij met Studio Jan Vermeulen sinds 2012 een eigen, ingetogen architectuurpraktijk uitbouwt. Vermeulen is dan ook geen man van grootspraak. Zijn architectuur evenmin. “We zijn niet op zoek naar een ‘eureka!’,” vertelt hij, “maar eerder naar een rustige, weloverwogen ‘ah ja’.”
De eerste opdracht die Jan Vermeulen na terugkomst in België binnenhaalde, samen met Tom Thys architecten, was de renovatie en uitbreiding van woonzorgcentrum de Korenbloem in Kortrijk. Vertrekkende van de bestaande, neoklassieke villa, gelegen temidden van het stedelijk bouwblok, werd een Siamese tweeling gecreëerd die nieuwe routes definieert, het parklandschap activeert en een netwerk van kleine plekken in het leven roept. De architectuur van de nieuwbouw werd duidelijk geïnformeerd door het bestaande: witte kolommen en grote oversteken bepalen het gezicht van het project. “Die vormgeving is niet gratuit”, benadrukt Vermeulen. “De kolommen vormen een houvast voor klimmend groen, dat park en straat opnieuw op elkaar betrekt, terwijl de luifels voor de kwetsbare bewonersgroep grote, besloten terrassen creëren. Als je de context en geschiedenis van een plek op die manier kan verbinden aan de vraag van de opdrachtgever en de noden van de gebruiker, dan heb je een sterk verhaal.”
Diplomatie
Het oeuvre van Studio Jan Vermeulen zit vol met dergelijke verhalen. In Provinciaal Domein Prinsenpark, een plek die omwille van zijn historiek in een continue spanning leeft tussen natuurlijk en formeel, realiseerde het bureau een bezoekerscentrum dat de typologie en materialiteit van een landelijke schuur verbindt met de uitgepuurde detaillering van een landhuis. Op een voormalige industriële site in Mechelen, tussen dok en Dijle, worden momenteel twee robuuste woongebouwen opgetrokken die hun vorm ontlenen aan pakhuizen en silo’s, maar toch ruimtes op mensenmaat definiëren. En bij een ontwerp voor crisisopvang in de Gentse wijk Muide vormen stedelijke context en lokale geschiedenis de kapstok voor een heterogene gebouwcompositie die erin slaagt om twee tegenstrijdige uitgangspunten van het project - het beschermen van kwetsbare mensen tegen de maatschappij enerzijds, en de plek openstellen voor de maatschappij anderzijds - te verenigen.
“Architectuur is zoals diplomatie”, meent Vermeulen. “We hebben een duidelijk doel voor ogen, maar zijn geen activisten. We begrijpen dat er een hele context is waarmee we rekening moeten houden. De opdrachtgever, de gebruiker, de omwonenden, de locatie,… Daar proberen we ons succesvol door te navigeren, zodat het resultaat niet aanvoelt als een compromis, maar er net iets ontstaat waarvan elke betrokkene denkt: ‘ah ja, zo had ik het nog niet bekeken, maar het voelt vanzelfsprekend.’ Vaak is de geschiedenis dan een aanknopingspunt. Niet omdat we een drang hebben om historisch te zijn, maar omdat het een sterke voedingsbodem is die voor heel wat mensen herkenningspunten creëert. Daarop kan je voortbouwen.”
De stad als ontwerpopgave
Vandaag blikt Vermeulen gretig terug, maar dat was niet altijd het geval. Als student aan het toenmalige Henry van de Velde-instituut en de TU Delft was hij vooral doordrongen van het gedachtegoed van Rem Koolhaas. “Je visie wordt natuurlijk onderbouwd door de etappes die je aflegt”, lacht Vermeulen. “In Nederland bestond er niet zoiets als architectuurgeschiedenis. Alles begon daar met het modernisme. Pas wanneer ik na mijn studies naar het Verenigd Koninkrijk trok, heb ik de enorme rijkheid en radicaliteit van de geschiedenis ontdekt.”
Wat van die eerste jaren in Antwerpen, onder Christian Kieckens en b0b Van Reeth, en Delft wel uitdrukkelijk is blijven hangen, is de interesse voor de stad als ontwerpopgave. Niet zozeer vanuit de grote flows van OMA; wel vanuit de menselijke schaal. Het woonproject Keerdok in Mechelen kadert in de transformatie van de voormalige industriële site tot residentieel schiereiland en definieert daarin nieuwe relaties tussen woning, park en waterlandschap. Ten noorden van Antwerpen ontwierp Studio Jan Vermeulen dan weer een uitbreiding van de sociale woonwijk Rozemaai. Twee nieuwe gebouwen voorzien er samen in 54 extra appartementen aan de rand van een nieuw park, waarbij de cartesiaanse voorzetgevels mediëren tussen de privacy van de woning en het publieke karakter van het park. “Die schaal van 50 à 60 units hebben we intussen goed in de vingers”, meent Vermeulen. “Ze geeft ons ook veel voldoening. Je bouwt voor mensen, maar kan tegelijk betekenisvolle ingrepen doen in het verstedelijkte landschap. Je creëert nieuwe plekken, zorgt dat andere ruimtes vrijgelaten worden en bouwt mee aan een straat, een wijk of een stad. Dat vind ik enorm waardevol.”
Craftsmanship
Naast de conceptuele gelaagdheid, worden de projecten van Studio Jan Vermeulen ook gekenmerkt door visuele, tactiele en materiële gelaagdheid. Een gevel die van veraf nog vlak en uniform leek, wordt bij nader inzien gekenmerkt door een bijzonder metselverband (Felix, Brussel) of pleisterwerk dat de ene keer horizontaal en de andere keer verticaal werd aangebracht (Soho, Brussel); wat in eerste instantie misschien een overgedimensioneerde dakgoot leek, blijkt een bijna poëtisch hoorspel van kletterend water te creëren (Prinsenpark, Retie). “Ons gebruik en onze ervaring van gebouwen is eigenlijk heel zintuigelijk. We nemen een deur of balustrade vast, gaan ergens zitten, … Dat zijn zaken die zich gaandeweg ontplooien en een rijkdom vormen. Niet alleen voor bezoekers en gebruikers, trouwens, maar ook voor de makers."
“De uitdaging is om dat soort detaillering ook in grotere projecten mee te nemen. In kleine projecten kan je een detail nog relatief eenvoudig samen met de aannemer uitpuren, maar hoe meer de economie begint te spelen en hoe verder je van de uitvoerder af komt te staan, hoe moeilijker het is. We proberen dat heel bewust aan te pakken, veel vooronderzoek te doen, en echt op zoek te gaan naar een logica die ook binnen de huidige markteconomie standhoudt. Dat vergt kennis van het bouwen.”
Allianties
Met een team dat fluctueert tussen vier en pakweg twaalf personen, houdt Vermeulen het bouwen alvast dicht bij de hand. “Elk project gaat nog door mijn vingers. In grotere organisaties is dat niet noodzakelijk het geval. In dat opzicht is mijn idee over een architectuurbureau ook wel geëvolueerd. Sergison Bates en Chipperfield waren grotere structuren en als associate kreeg ik een mooi helikopterperspectief over hoe de zaken in zo’n bureau georganiseerd werden. Ik wist dat ik idealiter geen bureau op mezelf organiseerde, en dat ik op zoek moest naar allianties. Zo heb ik zes jaar lang nauw samengewerkt met Tom Thys. Tot het op een bepaald moment niet meer werkte en ik besloot om het met een kleinere ploeg te doen. Vandaag weet ik dat het de juiste beslissing was. We staan weliswaar voor heel wat uitdagingen, maar toch heeft het ons rust bezorgd. Het huidige team is ook enorm goed op elkaar ingespeeld. We werken al lang samen, kennen elkaars sterktes en zwaktes en kunnen onszelf zijn. Dat wil ik nu absoluut vrijwaren.”
“Natuurlijk heeft een klein team ook grenzen. Wanneer projecten groter zijn of de planning en druk het niet toelaat om alles zelf te doen, dan is externe samenwerking een goede oplossing. Al moet je dat ook bewaken. Ik geloof niet meer in projecten die je fiftyfifty verdeelt. In de realiteit geeft elke partij dan toch 60% en gaat er veel energie verloren. Als we samenwerkingen doen, dan moet er één partij uitdrukkelijk in de lead zitten en daarvoor vergoed zijn. En dat betekent heus niet dat wij altijd in die positie moeten staan. Zolang de verantwoordelijkheden duidelijk zijn, kunnen we ook met veel enthousiasme tweede viool spelen.”
Ode aan de twijfel
Als zaakvoerder laat Vermeulen zich vandaag uitdrukkelijk leiden door drie principes, ontleend aan Sir David Chipperfield: do the best architecture you can, don’t lose any money, and have fun. “Studio Jan Vermeulen is niet alleen een vehikel om architectuur te maken en mijn kost te verdienen; ik wil er ook gelukkig van worden. Voor mij betekent dat vooral dat ik de nieuwsgierigheid niet wil opgeven. Dat verklaart waarom we af en toe een interieurproject doen of andere gekke schaalsprongen maken, maar ook waarom we onszelf de kans geven om te denken ‘wat als?’, totdat we het verhaal in elkaar voelen klikken. Want nieuwsgierigheid, dat is ook twijfelen.”
Ook het verlangen om opnieuw een lesopdracht aan te nemen, past in die zoektocht naar plezier. “Aan de KU Leuven heb ik zeven jaar lang de ontwerpstudio’s van masterstudenten begeleid, en dat voelde telkens als een enorme verrijking van mijn praktijk. Als er op een dag tien of vijftien studenten met al hun ideeën op jou afkomen, dan kan ik je verzekeren dat je hoofd ’s avonds overuren draait van alle inzichten en prikkels. Maar aan de universiteit is de ruimte voor twijfel natuurlijk overvloedig. In de dagelijkse en economische praktijk van een architectuurbureau iets minder.”
Om die balans te bewaken, zoekt Vermeulen naar efficiëntie op andere niveaus. Er wordt bijvoorbeeld gewerkt met een strikte tekenstandaard, tijdsregistratie en checklists. “Eigenlijk is architectuur een absurde business. Je komt keer op keer voor een andere situatie te staan en het is heel moeilijk om ervaringen vanuit het ene project naar het andere te extrapoleren. Toch proberen we dat in de mate van het mogelijke te monitoren. Een rode draad is er niet en je moet je continu aanpassen, maar we worden wel steeds beter in het lezen van de condities van een project. Zo kunnen we beslissen waarover we wel of niet gaan twijfelen, zonder dat het omslaat in dwalen.”
Er is maar één onzekerheid die Vermeulen écht parten speelt, en dat is de vraag of projecten daadwerkelijk tot realisatie zullen komen en zo ja, binnen welke tijdslijn. “Sommige projecten worden door een beleidswissel teruggefloten, anderen liggen jaren bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het is pas wanneer een project in uitvoering komt, dat je er zeker van kan zijn. Binnen die rollercoaster een stabiele business uitbouwen, zowel op vlak van planning als qua inkomsten, is een enorme uitdaging. Het is zo ver gekomen dat ik vandaag twee financiële jaarplanningen opmaak: één met wat we zeker hebben, en één met wat we potentieel kunnen verdienen. Het verschil tussen die twee is soms erg groot. Maar net zoals elk project het risico loopt op een vroege dood, heeft het ook de kans om een referentieproject te worden. Uiteindelijk is er dan ook maar één manier om daarmee om te gaan: telkens opnieuw de beste architectuur maken die je kan.”
Door Elise Noyez