@HOME  
Dimension 47 – februari 2018

Architect-stedenbouwkundige Jan Maenhout – Atelier MA+P

“Architectuur en stedenbouw: een prachtige keuze”

Met een boek en een nieuwe naam voor het bureau sluit architect en stedenbouwkundige Jan Maenhout (67) een boeiende periode af, waarin theorie en praktijk hand in hand gingen. Want naast bezieler van zijn in 1984 opgericht architectenatelier was Jan Maenhout ook 38 jaar professor aan Sint-Lucas. Vooral in sociale huisvesting verzette zijn bureau in die periode meerdere bakens. Nu wil hij, samen met zijn huidige vennoten Stef Van den Broeck en Luc Bosmans, de volgende generaties op de rails zetten.

Architectuur en stedenbouw zijn vandaag meer dan ooit kruis en munt, stelt Jan Maenhout op zeker ogenblik. “Zelfs de simpelste woning maakt deel uit van een context waarmee je rekening moet houden. In mijn eigen werk won de discipline stedenbouw al snel aan belang. Steeds meer vertrok ik vanuit stedenbouwkundig onderzoek om architectuur te maken. Dat stelde mij in staat het objectmatige van architectuur te overstijgen. Voor mij is dat dan ook de juiste hiërarchie: zoek eerst uit wat stedenbouwkundig gewenst en aanvaardbaar is, en neem op basis daarvan een positie in voor je architectuurontwerp. Innovatieve stedenbouwkundige ontwerpen realiseren vergt wel veel overredingskracht. Een stedenbouwkundige moet vijftien tot twintig jaar vooruitkijken. In feite tracht hij een soort utopie te realiseren die hij in gedachten heeft. Daarom is het dikwijls zo moeilijk om alle neuzen in dezelfde richting te krijgen.”

Ook op het architectuurontwerp heeft hij een duidelijke visie. “Architectuur is geen organogram dat je in elkaar schuift, maar een antwoord op een opgave, dat past in de architectuurtaal die je hanteert en in de tijdsgeest zoals je die vat. Als je daarin slaagt, beschik je over een grondslag die het ontwerpen sterk vergemakkelijkt. Je kan altijd teruggrijpen naar het concept voor de keuze van materialen, de detaillering of de aanpak van de problemen waarop je tijdens het ontwerpproces stuit. Bij Atelier MA+P (wat staat voor Atelier M Architects+Planners, met de M als zachte verwijzing naar het vroegere Jan Maenhout Architecten, n.v.d.r.) wordt elk ontwerp geschraagd door een concept. Die theoretische inhoud is noodzakelijk om een ontwerp naar de essentie te herleiden. Los van de schaal benaderen wij elke opdracht zo, meestal zonder het aan de opdrachtgever te zeggen.”

Kleur bekennen dankzij Rogier van der Weyden

Ter illustratie haalt hij twee projecten van het architectenatelier aan: de Pianowoning en De Werkhuizen. “Intern krijgen onze projecten altijd een bijnaam die, nomen est omen, veel duidelijk maakt. Onze Pianowoning ontwierpen wij voor twee musici en gaven wij bewust de vorm van een muzieknoot. De opdrachtgevers hebben dat pas achteraf toevallig vernomen via kennissen.”

Van een heel andere schaal is De Werkhuizen aan het Blauwputplein in Leuven, een stedelijke project met dertig groepswoningen voor ouderen, een gelijkvloerse handelsruimte, een academie voor beeldende kunsten, horeca, een ondergrondse parkeergarage en een fietsafhandelcentrale. “Met een gebouw van 100 meter lang en 20 meter diep, grenzend aan een plein en zonder verdere randbebouwing, moet je als ontwerper zorgzaam omspringen. Ik had pas de tentoonstelling over Rogier van der Weyden in Museum M gezien en was omvergeblazen door de gewaagde manier waarop die Vlaamse Primitief omging met kleur. Vandaar de inzet van kleur voor het gedurfde ruimtegebruik waarnaar wij streefden. We hebben alle kleuren in de omgeving van de Centrale Werkplaatsen, waar De Werkhuizen zouden komen, geïnventariseerd, uitgezet op de kleurenkaart en gekozen voor een gevelafwerking met de complementaire kleuren, zodat het gebouw de kleurencirkel verder invulde. Daarnaast hebben we het principe stapeling en schakeling toegepast door middel van een containerarchitectuur.”

Architectuur in het DNA

Het gesprek vindt plaats in de werkplek van Atelier MA+P te Schaarbeek, waar Jan Maenhout in de jaren 80 neerstreek. “Ik woonde hier in de buurt. Toen ik op zekere dag briefwisseling naar de postbus bracht, stond de voordeur van een al jaren leegstaande woning open. Nieuwsgierig vroeg ik of ik een kijkje mocht nemen. Tot mijn grote verrassing ontvouwde zich daar de ideale plek voor een architectenbureau.”

Vooraan bestaat het pand uit drie als één gevel geconcipieerde woningen die eertijds in handen waren van evenveel familieleden. De rechtse woning, die al een tijd leeg stond en jammerlijk verwaarloosd was, bood via een grote hal toegang tot een binnenplaats die achteraan wordt begrensd door een voormalige lingeriefabriek met twee bouwlagen. Daarin is al decennia Atelier MA+P gehuisvest. Het atelier grenst aan de Bloemenwijk, een residentiële wijk met grote woningen die overwegend in de jaren 20 werden opgetrokken en op de gemeentelijke website tot een boeiende architectuurwandeling zijn gebundeld. Even verder ligt de Terdeltwijk met sociale woningen die dateren uit dezelfde periode. Voor deze wijk tekende het atelier van Jan Maenhout een nieuw circulatieplan dat komaf maakte met het ongestructureerd parkeren.

In de hal tussen de voordeur en het binnenplein passeren we een mini-expositie over het werk van het bureau en een oude tekentafel. “Van mijn grootvader, een aannemer in Brugge”, duidt de gastheer. “Mijn moeder heeft diens DNA doorgegeven. Naar verluidt nam ik als prille tiener al het voortouw om een werf in goede banen te leiden. Met architectuur en stedenbouw heb ik, achteraf bekeken, de juiste keuze gemaakt. Een prachtige keuze.”

Sint-Lucas: de start

Omdat hij het ingangsexamen in Gent net had gemist, trok hij vanuit zijn woonplaats Eeklo naar Brussel om met succes mee te dingen naar een leerplek aan Sint-Lucas. “Een van de onderdirecteurs, een vriend van de familie, overtuigde me om in Brussel te blijven. De school was weliswaar veel kleiner, maar met Alfons Hoppenbrouwers beschikte ze over een directeur die volop vernieuwing bracht in de wereld van de architectuur. Hij stond onder andere aan de wieg van het Sint-Lucasarchief en legde daarmee de basis voor de inventarisatie van het Brussels waardevol patrimonium. Later richtte hij de Sint-Lucasgalerij op, waar onder meer de band tussen actuele kunst en architectuur werd geëxploreerd. Zelf was hij in zijn latere levensjaren een begenadigd schilder van verfijnde geometrische werken die de komende jaren ongetwijfeld in een retrospectieve zullen worden belicht. Tot mijn grote spijt bezit ik geen werk van hem.”

Belangrijke leraars waren voor Jan Maenhout verder interieurarchitect en meubelontwerper Pieter De Bruyne en stedenbouwkundige Evert Lagrou, die hem de weg naar stedenbouw wees. “Na mijn studies en mijn legerdienst, waar ik mij vooral als tekenaar van militaire gebouwen profileerde, belandde ik bij Groep Planning. Daar mocht ik meteen een uitvoeringsdossier maken en werd ik betrokken bij enkele grotere projecten.”

Inventaris van het Brussels patrimonium

In die periode wou Sint-Lucas Brussel jong bloed aantrekken voor de architectuuropleiding. Gewapend met zijn prille CV en een wedstrijd die hij pas voor Groep Planning had gewonnen, stelde Jan Maenhout zijn kandidatuur en werd als jongste kandidaat weerhouden. “Door die jonge startleeftijd kom ik aan een loopbaan van 38 jaar in het architectuuronderwijs. Ik wou toen al theorie en praktijk verweven en richtte met een vriend een architectenbureau op, maar voor die stap waren we niet rijp. Als alternatief solliciteerde ik bij het Sint-Lucasarchief, waar ik 3,5 jaar wetenschappelijk onderzoek verrichtte. In die periode kregen wij van de toenmalige staatssecretaris van het Brusselse Gewest Cécile Goor de opdracht om het waardevolle patrimonium in Brussel te inventariseren. Samen met onder andere Jos Vandenbreeden heb ik circa 175 gebouwen bekeken, historisch onderzoek uitgevoerd en de bestaande toestand – dikwijls wantoestand – gefotografeerd. Bedoeling was dat al die panden zouden worden gerestaureerd met subsidies van het Brusselse Gewest, maar dat geld is er nooit gekomen. Wel reageerden heel veel mensen enthousiast toen ze vernamen dat ze eigenaar waren van historisch waardevolle architectuur, en investeerden ze hun eigen centen in een broodnodige restauratie. Bij een verkoop konden ze die waarde dan staven aan de hand van onze inventaris die in 1986 door het staatssecretariaat werd gepubliceerd. Die strategie van bewustmaking is ook doorgedrongen tot de politieke wereld, mede dankzij onze acties en tentoonstellingen rond de afbraakwoede. Ik herinner me bijvoorbeeld nog levendig dat in het Charle-Albertkasteel in Watermaal-Bosvoorde, een voorbeeld van Vlaamse neorenaissance, bewust dakpannen werden weggehaald, ramen open gelaten en deuren niet werden afgesloten waardoor er meermaals brand werd gesticht. Dat alles om het kasteeltje te kunnen slopen en vervangen door een lucratief vastgoedproject.”

De stap naar de praktijk

Intussen bleef de drang naar een eigen architectuurpraktijk onderhuids kriebelen. “Door het wetenschappelijk onderzoek kon ik mijn studiejaren verlengen, wat een enorm voordeel was. Maar na al die jaren wou ik eindelijk alles wat ik had opgestoken en in mijn hoofd had opgebouwd ook in de praktijk brengen.” Die kans bood zich aan in 1984. Samen met onder andere Stef Van den Broeck, als gewetensbezwaarde zijn toenmalige collega in het Sint-Lucasarchief en vandaag zijn vennoot, nam Jan Maenhout deel aan WISH 84. Deze grootscheepse wedstrijd voor sociale woningbouw trok als een magneet jonge architecten uit heel Vlaanderen aan. Het team sleepte de eerste prijs voor Vlaams-Brabant in de wacht, goed voor 90 sociale woningen in Tervuren, te realiseren in drie fasen. “Zo kon ik stilaan mijn werk in het archief afbouwen. Al snel wonnen we nog een wedstrijd en waren we definitief uit de startblokken.”

Wedstrijden vormen tot vandaag een rode draad in het architectenbureau. “Via die weg verwerven wij een groot deel van onze opdrachten. De transitie van een politiek gekleurd opdrachtgeverschap naar een meer onafhankelijke selectie van ontwerpers bood ons mooie kansen. Ook de aanpak van die wedstrijden door de sociale huisvesting, met slechts drie kandidaten, een duidelijke omschrijving van de opdracht, een jury waarin voldoende kennis aanwezig is en geregeld een – zij het minieme – vergoeding, betekende een weldaad voor de architectenwereld. Alle openbare besturen zouden dat als norm moeten hanteren.”

“In sociale woningbouw konden wij een mooi traject opbouwen dankzij de stap van grootschalige projecten met slechts één typologie van woningen, afgestemd op het modale gezin, naar kleinschaliger en veel gevarieerder initiatieven. Dat creëerde ruimte voor kleinere bureaus. Jaarlijks wisselden de wedstrijden van thema: integratie, monumenten, open ruimte. Dat resulteerde in veel juistere en objectievere opdrachten, die ontwerpers de gelegenheid boden tot stedenbouwkundige vernieuwing en architecturale integratie. Want ontwerpen beslaat een breed spectrum met onder andere aandacht voor de buitenruimte, de circulatie, de afbouw van de auto, kwaliteitsvol groen en pleinen, verzamelruimtes, een mix van typologieën. Ik ben blij dat ik aan die vernieuwing kon participeren en ertoe kon bijdragen.”

Een schakel in de continuïteit

Naast tal van nieuwe ontwikkelingen schreven Jan Maenhout en zijn team mee aan de toekomst van waardevolle sociale woningbouwprojecten. Om slechts twee voorbeelden te noemen: de ‘harde renovatie/zachte restauratie’ van de wijk Warotveld, een ontwerp van Willy Vandermeeren in Herent, en de herwaardering van de Modelwijk aan de Heizel, waarop Renaat Braem zijn stempel drukte.

Jan Maenhout looft de nadruk die de VMSW legt op kwaliteit. “Elke euro wordt twee keer omgedraaid voor hij wordt uitgegeven. Zo hoort het ook. Stedenbouw en architectuur zijn bedoeld voor 200 jaar. Snel en goedkoop bouwen past niet in die filosofie van duurzaamheid. De VMSW heeft ook altijd veel energie gestopt in het verspreiden van goede voorbeelden bij andere sociale huisvestingsmaatschappijen, om zo vernieuwing en een betere selectie van de ontwerpers aan te jagen. Wij van onze kant leggen altijd de lat hoog en doen 10% beter dan wat is vereist.”

De gevoeligheid voor duurzaamheid is er altijd geweest en heeft te maken met de ethische opgave van de architect. Voor de duurzame wijk De Vloei in Ieper werd het bureau na een wedstrijd in 2008 geselecteerd voor de opmaak van het beeldkwaliteitsplan, en realiseert het ook enkele gebouwen. In de lobbenstad Sint-Niklaas maakte het bureau het masterplan voor de Bellestraat/Zonneken. In Kruishoutem staan ze samen met architect-stedenbouwkundige Roeland Smits in voor een inbreidingsproject met een zeventigtal woningen. “Wij pleitten als eersten voor een samenwerking waarin de sterktes van de partners, elk vanuit zijn eigen domein, optimaal aan bod kunnen komen. Zo pasten wij het bouwsysteem aan een van de aannemers aan en stelden wij voor om de twee cohousingprojecten die deel uitmaakten van het wedstrijdprogramma, te switchen naar beter in de markt te zetten woonoplossingen. Niet dat we tegen cohousing zijn, integendeel, maar je kan partners die deze aanpak niet kennen, beter niet forceren.”

De rol van het onderwijs

De term tijdsgeest duikt voortdurend op tijdens het gesprek. “Als je de tijdsgeest onderkent, kom je tot een veel bewustere stedenbouw en architectuur. Als architect moet je veel lezen en de actualiteit op de voet volgen om die polsslag correct te kunnen voelen. Vergeet vandaag bijvoorbeeld de idyllische plekken. Opdrachten worden geformuleerd in probleemgebieden en zijn bedoeld om de stedelijkheid nieuwe impulsen te geven. Een hogere densiteit, verwaarloosde plekken herstellen door afbouw en herstel van het weefsel: de uitdagingen zijn talrijk, gezien de bevolkingsaangroei en de toenemende migratie. De Vlaamse Bouwmeester heeft daar een duidelijke visie over en is dan ook the right man on the right place.”

De wisselwerking tussen zijn engagement in het onderwijs en de architectuurpraktijk omschrijft hij als een fantastische ervaring. Maar hoe reageert hij op de kritiek dat de opleiding architecten onvoldoende klaarstoomt voor het beroep? “Innovatie is per definitie een opdracht voor het onderwijs. Het onderwijs loopt vijf jaar voorop op de praktijk. Je stimuleert studenten vijf jaar lang naar vernieuwing, zodat ze mee zijn met de tijdsgeest als ze in het beroep stappen. Verder geven wij studenten de basis mee om ethisch te leren ontwerpen en opgaven op te lossen. Momenteel wordt veel ingezet op onderzoek en krijg je een generatie van architecten die een extra master volgen of doctoreren. Die poot van de discipline zal zich zeker sterker doorzetten, maar dat vergt natuurlijk tijd. De opleiding is ook geen uniform gegeven, maar een kwestie van mensen. De ene kijkt vooruit, de andere is sterk in het achteruitkijken, en ontwikkelt op die manier een kritische ingesteldheid.”

“Maar vijf jaar is natuurlijk zo voorbij. Daarom blijft de stage heel belangrijk maar nog altijd onvoldoende. Vijf jaar praktijk lijkt mij het minimum voor iemand weet wat hij graag doet, waar hij goed in is en waarmee hij betekenis kan uitstralen naar anderen. Uiteraard blijft permanente vorming achteraf een noodzaak, want alles verandert zo snel dat ook ik nog elke dag bijleer.”

Een nieuwe rol?

Hoe ziet Jan Maenhout zijn eigen toekomst? “Als controlefreak had ik altijd graag het heft in handen en nam ik eigenmachtig de beslissingen nadat ik alle voordelen en nadelen tegen elkaar had afgewogen. Met mijn emeritaat in Sint-Lucas en de naamsverandering komt daar verandering in. Ik blijf actief de nieuwe generatie steunen en helpen om vooruit te geraken. We passen de structuur aan tot een coöperatieve, waarin medewerkers veel vlotter en sneller kunnen in- en uitstappen. Die samenwerkingsvorm sluit beter aan bij de manier waarop architectuur vandaag tot stand komt: als een gemeenschappelijke ontwikkeling, waarin de jonge stagiair een even belangrijke inbreng heeft als de door de wol geverfde projectarchitect. Verder wil ik de vinger aan de pols blijven houden. Dat is de reden waarom ik graag in Brussel woon. Ik ben een rasechte stedeling. Ik wil aanwezig zijn waar het water woelig is.”

Door Colette Demil en Staf Bellens

“Zoek eerst uit wat stedenbouwkundig gewenst en aanvaardbaar is, en neem op basis daarvan een positie in voor je architectuurontwerp.”

“Bij Atelier MA+P wordt elk ontwerp geschraagd door een concept. Die theoretische inhoud is noodzakelijk om een ontwerp naar de essentie te herleiden.”

“In sociale woningbouw konden wij een mooi traject opbouwen dankzij de stap van grootschalige projecten met slechts één typologie van woningen, afgestemd op het modale gezin, naar kleinschaliger en veel gevarieerder initiatieven.”

“Als je de tijdsgeest onderkent, kom je tot een veel bewustere stedenbouw en architectuur. Als architect moet je veel lezen en de actualiteit op de voet volgen om die polsslag correct te kunnen voelen.”

30

Atelier MA+P

Onlangs verscheen een boek dat via een selectie van 30 treffende ontwerpen terugblikt op meer dan 30 jaar architectuurpraktijk van Jan Maenhout en atelier MA+P. Masterplanning, ingrepen in het landschap, collectieve woningbouw, scholen, zorginstellingen en eengezinswoningen schetsen een beeld van de evoluerende visie op ruimte, ruimtelijke beleving, duurzaamheid, architectuur en maatschappelijke betrokkenheid. Beelden, tekeningen, grondplannen, doorsnedes, renderings en inplantingsplannen illustreren en ontrafelen de wordingsgeschiedenis van elk project, tot in de kern.

Het boek kan online worden besteld via de website www.a-map.be/product/30/

’30 Atelier MA+P – 368 pagina’s – Nederlands/Frans/Engels – Lannoo – ISBN 978-9401448567.