RUWBOUW  
Dimension 69 – september 2023

Het belang van goede afspraken voor de vloeistofdichtheid van betonnen kelders

In bestekken voor ondergrondse betonconstructies worden vaak strenge klassen voor de waterdichtheid van het beton gevraagd. Doorgaans zijn bijkomende maatregelen nodig. En die hebben uiteraard een economische, ecologische of organisatorische impact. Maak daarom vooraf duidelijke afspraken over de gewenste vloeistofdichtheid en hoe die te bereiken.

Er bestaat momenteel nog geen normatief document om een constructie in een bepaalde vloeistofdichtheidsklasse in te delen. Tabel 18 van TV 247 en tabel 1 van TV 250 zetten de eerste stappen in die richting.

Het is de taak van de opdrachtgever om de gewenste vloeistofdichtheidsklasse te definiëren. Volgens de logica van voormelde tabellen vereisen ondergrondse betonconstructies onder tijdelijke of permanente grondwaterdruk veelal een klasse 2 bij weinig vochtgevoelige binnenafwerkingen en een klasse 3 bij vochtgevoelige binnenafwerkingen.

De klassen ontrafeld

De verschillende vloeistofdichtheidsklassen voor beton vind je in de norm NBN EN 1992-3. Ze worden verder toegelicht in § 5.3.2.2 van TV 247.

• klasse 0: aan het beton worden geen specifieke eisen opgelegd voor de vloeistofdichtheid. Wanneer er geen vochtgevoelige afwerkingen aangebracht worden en het eventuele lekwater opgevangen wordt (bv. door een goot), kan deze klasse in veel situaties voldoende zijn, zoals in ondergrondse parkeergarages.

• klasse 1: om het lekdebiet te verminderen, moet de theoretische breedte* van doorgaande scheuren beperkt worden. Voor kelderwanden kan hiervoor 50 tot 80 procent meer wapening nodig zijn dan voor een klasse 0. De keuze voor klasse 1 heeft dus een aanzienlijke economische en ecologische impact. Het betonoppervlak moet ook steeds bereikbaar blijven voor inspectie en eventuele herstellingen.

• klasse 2: om de lekken nog verder te beperken, zijn doorgaande scheuren niet toegestaan. De lekken zijn in dit geval zo klein dat het water verdampt voordat er vochtvlekken ontstaan. Als er in de betonconstructie geen voldoende grote drukzone aanwezig is (door buigmomenten of normaalkrachten), kan je dit niet enkel oplossen door wapening toe te voegen. Deze situatie doet zich onder andere voor bij verticale scheuren in kelderwanden door verhinderde krimp. Het is dan ook noodzakelijk om extra maatregelen te nemen (bv. soepele bekuiping).

• klasse 3: er zijn helemaal geen lekken toegelaten. In industriële toepassingen wordt soms naspanning gebruikt om deze klasse te bereiken. Voor een kelder van een woongebouw is dit economisch niet rendabel. In de praktijk moet je dus vaak kiezen voor een soepele bekuiping. De meerkost hiervan wordt deels gecompenseerd omdat het beton zelf tot klasse 0 kan behoren en er dus minder wapening nodig is. Een soepele bekuiping is praktisch gezien echter niet altijd realiseerbaar.

Hoewel alle klassen hun toepassing hebben, moet je vermijden om voor het beton een te strenge klasse voor te schrijven. Klassen 2 en 3 zijn nu eenmaal moeilijk te bereiken. Je gebruikt dus best andere technieken om de vloeistofdichtheid van de betonconstructie te verzekeren. Het beton mag dan tot een minder strenge dichtheidsklasse behoren.

Bij een museum met een ondergrondse ruimte moet de betonconstructie bijvoorbeeld een vloeistofdichtheidsklasse 3 hebben, wat economisch en praktisch gezien niet realiseerbaar is. Je moet dan bijkomende maatregelen treffen, zoals een soepele bekuiping. In dat geval is het dus niet meer nodig dat het beton aan klasse 3 voldoet en mag het een klasse 0 hebben.

Impact op de planning

Bij klasse 1 reken je op het zelfherstellende vermogen van het beton (zie TV 247). Dit proces vergt echter tijd en opvolging (bv. nagaan of de scheuren stabiel zijn, welke scheuren aanleiding geven tot infiltraties ...) en is vaak niet snel genoeg om discussies over kleine lekken te vermijden.

Maak daarom duidelijke afspraken over het ontwerp en de uitvoering en neem die op in het contract. Zo vermijd je discussies over de kostprijs van injecties na de afwerking van de betonconstructie. Leg meteen ook het tijdstip vast waarop de eisen een eerste keer geëvalueerd worden (bv. bij de voorlopige oplevering). Vóór dit tijdstip kun je dan het zelfherstellende vermogen van het beton zijn werk laten doen.

De uitvoering van een soepele bekuiping zal een impact hebben op de planning van de werken. Een extra handeling is namelijk nodig en die kan vaak enkel bij gunstige weersomstandigheden uitgevoerd worden.

Onderzoek

Buildwise bestudeert momenteel de verhinderde thermische en krimpvervormingen, die aan de basis liggen van de scheurproblematiek. De onderzoekers voeren verschillende monitoringscampagnes uit op de werf, aangevuld met laboratoriumproeven en uitgebreide numerieke analyses. Deze ‘prenormatieve’ studie kreeg de naam REINFORCE en wordt gesubsidieerd door het NBN en de FOD Economie.

De eerste resultaten tonen duidelijk aan dat de uitvoeringsomstandigheden (bv. ontkistingsduur, fasering, betondekking ...) ook een bepalende rol kunnen spelen in de strijd tegen scheurvorming. Daarom werkt Buildwise aan enkele praktische richtlijnen die ruwbouwaannemers zullen helpen bij het maken van goede keuzes op de werf.

Door B. Vanhauwere, ir., adviseur, afdeling ‘Technisch advies en consultancy’, S. Vercauteren, ing., senior hoofdadviseur, afdeling ‘Technisch advies en consultancy’ , P. Van Itterbeeck, dr. ir.-arch., hoofdprojectleider, laboratorium ‘Structuren en bouwsystemen’ – Buildwise

Foto’s Shutterstock

(*) Er bestaan geen duidelijke richtlijnen over hoe scheurwijdtes in de praktijk opgemeten moeten worden. In § 4.3.2 van het fib Bulletin 52 vol. 2 en de proefnorm prEN 1992-1-1 (2022) staat dat deze nominale waarden op de scheurwijdte enkel mogen dienen als reken- of ontwerpcriteria en nooit vergeleken mogen worden met scheurbreedtes die je ter plaatse meet.