RUWBOUW
Dimension 65 – september 2022
Beoordeling van de stabiliteit van de bestaande ruwbouw
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-

Aanwezigheid van zwamdraden en houtrot.

Aantasting van het hout door insecten.

Aanzienlijke vorstschade aan de plaatsingsmortel.

Vorstschade aan bakstenen.

Maximale overspanningen tussen de opleggingen van de gordingen van een hellend dak (40°).

Maximale overspanningen tussen de opleggingen van de gordingen van een hellend dak (40°).

Maximale overspanningen tussen de opleggingen van de vloerbalken van een ontoegankelijk plat dak.
PreviousNext
Alvorens aan een renovatie te beginnen, moet de huidige staat van het bouwwerk onderzocht worden. Vaak zijn de vervorming van de bouwelementen en de aanwezigheid van scheuren goede indicatoren voor de beoordeling van de stabiliteit van kleine en middelgrote gebouwen. De eventuele stabiliteitswerken zouden altijd uitgevoerd moeten worden onder leiding van een architect en/of studiebureau.
L. Lassoie, ing., redactiecoördinator en adjunct-coördinator van de Technische Comités, WTCB
Hoewel vochtproblemen gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van de bouwelementen, komen ze in dit artikel niet aan bod. Het spreekt echter voor zich dat deze problemen opgelost moeten worden alvorens de werken aan te vatten. Voor meer informatie hierover verwijzen we naar WTCB-Dossier 2021/6.1 en TV 252.
De beoordeling van de stabiliteit begint altijd met een visueel onderzoek en de raadpleging van de geschiedenis van het gebouw.
Tijdens het visuele onderzoek moet er bijzondere aandacht besteed worden aan de parameters die een invloed kunnen hebben op de stabiliteit van het bouwwerk, zoals:
- de geometrie van de draagstructuur
- de dikte en, in de mate van het mogelijke, de opbouw van de dragende elementen
- de uitvoeringskenmerken en de staat van de aansluitingen tussen de elementen
- de aard en de staat van de gebruikte materialen en de overblijvende nuttige doorsnede van de beschadigde elementen
- de lengte, opening en oriëntatie van de doorlopende scheuren
- de aanzienlijke vervormingen (bv. doorbuiging, uitzakking en scheefstand)
- de zettingen en verzakkingen.
De geschiedenis van het te renoveren bouwwerk zou dan weer een beter beeld moeten geven van de aanwezige materialen, de gebruikte technieken en de evolutie van bepaalde verschijnselen. Zo moet er in het bijzonder gelet worden op:
- het evolutieve karakter van de vervormingen (bv. scheef- stand en scheuren)
- de aanwezigheid van een rotte geur
- de aanwezigheid van boormeel op de vloeren
- de eventuele eerdere herstellingen.
Stabiliteit van houten vloer- en dakconstructies
Bij houten vloer- en dakconstructies bestaat de eerste stap van de beoordeling van de stabiliteit in het controleren van de staat van het hout, vooral ter hoogte van de opleggingen en verbindingen.
Aangezien de aanwezigheid van schimmels of zwamdraden (zie afbeelding 1) erop wijst dat deze nog actief zijn, moet er vóór de aanvang van de werken altijd een grondige diagnose uitgevoerd worden door een specialist en moet er een geschikte en snelle behandeling toegepast worden (zie TV 180)..
Als het houtoppervlak verrot is, betekent dit vaak dat het aangetast is door zwammen. In dat geval moet de omvang van de aantasting nagegaan worden door met een puntig voorwerp in het hout te steken. Indien het voorwerp niet meer dan 1 à 1,5 cm (balk 7/18 cm of 8/23 cm) diep in het hout doordringt, kan het element behouden worden zonder versteviging.
Kleine ronde of ovale gaatjes in het houtoppervlak (zie afbeelding 2) zijn zeer vaak te wijten aan een al dan niet actieve aantasting door insecten. Wanneer de diameter van de gaten kleiner is dan 3 mm, volstaat het om met een borstel een curatief product op het hout aan te brengen of om het product rechtstreeks op het te behandelen opper- vlak te spuiten. Indien de gaten groter zijn, moet er een nauwkeurige diagnose uitgevoerd worden om hun invloed op de mechanische sterkte van de elementen te evalueren.
Wanneer de staat van het hout als voldoende kwalitatief bevonden wordt, zal men overgaan tot de beoordeling van de stabiliteit van de elementen. Een eerste schatting kan gemaakt worden op basis van hun werkelijke vervorming. Als deze groter is dan 1/100 van de overspanning (ook wel genoteerd als ‘L/100’), moet de stabiliteit in vraag gesteld worden.
Voor deze schatting kan men gebruikmaken van predimensioneringstabellen (zie WTCB-Dossiers 2013/1.7 en 2011/4.6). Als men de gebruikelijke vervormings- (L/350) en/of trillingscriteria (bij vloeren) beschouwt, stelt men vaak vast dat de constructies ondergedimensioneerd zijn.
In de context van renovatiewerken is het gebruikelijk om een minder mooi uitzicht (vervormingen groter dan L/350) en/of een verminderd comfort van de vloeren (trillingen door voetstappen) te aanvaarden. Het is echter van essentieel belang om de stabiliteit te controleren. De tabellen A, B en C geven een overzicht van de maximale overspanningen (in meter) van de vloeren van een huis (maximale oppervlakte-massa van de afwerkingen: 70 kg/m²) en van de maximale overspanningen tussen de opleggingen bij hellende en platte daken.
Stabiliteit van het metselwerk
Aangezien de in afbeeldingen 3 en 4 geïllustreerde schadegevallen de stabiliteit van het metselwerk in het gedrang kunnen brengen, moeten ze als eerste behandeld worden.
Laten we aannemen dat de staat van de samenstellende materialen van het metselwerk (bakstenen, blokken, mortel ...) als voldoende kwalitatief beschouwd wordt. In dat geval zijn de belangrijkste elementen die gecontroleerd moeten worden met betrekking tot de stabiliteit van het metselwerk:
- de aanzienlijke vervormingen wat betreft de vlakheid (scheefstand, uitzakking ...)
- de diepte, de opening en het evolutieve karakter van de eventuele scheuren.
De criteria uit het artikel op pagina 15 kunnen gebruikt worden om de loodrechtheid en de vlakheid te beoordelen. Grotere afwijkingen dan de hierin vermelde grenswaarden kunnen de stabiliteit van het metselwerk in het gedrang brengen.
Scheuren kunnen verschillende oorzaken hebben die niet altijd verband houden met de stabiliteit van de bouwwerken (bv. thermische scheuren). Om te bepalen of een scheur de stabiliteit van een metselwerk in het gedrang zou kunnen brengen, is het van essentieel belang om zich bepaalde vragen te stellen.
- Loopt de scheur door?
- Enkel de scheuren die van de ene kant van de wand naar de andere doorlopen, moeten als potentieel gevaarlijk beschouwd worden.
- Hoe groot is de opening van de scheur?
In het algemeen vormen scheuren met een beperkte opening (< 3 mm) geen risico, voor zover hun opening stabiel blijft en er geen aanzienlijke verspringingen vastgesteld worden (zie afbeelding 5). Vanaf 3 mm is het aangeraden om de evolutie van de scheur gedurende minstens drie maanden (in het ideale geval gedurende één jaar) met een scheurwijdtemeter op te volgen, behalve wanneer de oorzaak van de scheurvorming gekend is en de verzamelde informatie wijst op een stabilisatie van de opening. Stabiele scheuren kunnen hersteld worden met de gebruikelijke herstelproducten. Er moet echter wel rekening gehouden worden met het feit dat lichte bewegingen (voornamelijk van thermische oorsprong) aanleiding kunnen geven tot microscheurtjes ter hoogte van de herstellingen.
Bij onstabiele scheuren moet de oorzaak van de scheurvorming (bv. differentiële zetting van de funderingen) onderzocht en behandeld worden alvorens andere ingrepen uit te voeren.
Stabiliteit van betonconstructies
Bij bestaande betonconstructies is het moeilijker om de stabiliteit te beoordelen. Dit komt doordat de nodige gegevens, zoals de mechanische eigenschappen, de diameter en de plaatsing van de wapening, meestal ontbreken. Hoewel ter plaatse bepaalde controles (bv. met een pachometer) uitgevoerd kunnen worden en de mechanische sterkte in situ gemeten kan worden (zie WTCB-Dossier 2021/3.1), gebeurt dit bij kleinere bouwwerken slechts zelden.
Wij raden echter aan om de volgende vragen te beantwoorden.
Is er schade (bv. barsten of scheuren) door de corrosie van de wapening?
Als dit het geval is en als deze schade binnenstructuren treft, moet deze hersteld worden door middel van speciaal ontworpen systemen. Hierbij wordt de gecorrodeerde wapening vrijgemaakt, zoals beschreven in TV 231, en wordt er een herstelmortel aangebracht, eventueel na de wapening van een corrosiewerende bekleding voorzien te hebben. Bij gecarbonateerde constructies met een dekking van minder dan 10 mm moet er, na de toepassing van de herstelmortel, een beschermende bekleding op het beton aangebracht worden. Bij buitenstructuren moet er doorgaans een grondigere diagnose uitgevoerd worden om de precieze oorzaken van het verschijnsel te bepalen alvorens de werken aan te vatten. De schade kan immers ook te wijten zijn aan andere oorzaken (bv. alkali-silicareactie of vorst).
Blijft de vervorming van het element binnen de perken? Net zoals bij hout is de vervorming van betonelementen (plaat of balk) een goede indicator voor hun stabiliteit. Bij vervormingen groter dan L/250 (waarbij ‘L’ staat voor de afstand tussen twee opleggingen) zou de stabiliteit van de elementen grondiger onderzocht moeten worden. Dit geldt ook wanneer de doorbuiging van de kolommen of muren de grootste h/300-waarde (waarbij ‘h’ staat voor de hoogte van het element) overschrijdt of groter is dan 15 mm. De normen NBN EN 13670 en NBN B 15-400 kunnen dienen als basis voor de controle van de toleranties van betonconstructies.