PROJECT IN DE KIJKER
Dimension 62 – december 2021
Van modernistisch paviljoen tot museaal object

De gevelbekleding in polycarbonaat is translucent. ’s Nachts licht het vernieuwde Trinkhall Museum daardoor als een baken in het park op.

In de zuidwestelijke hoek, ter hoogte van de nieuwe ingang, werd een rond afdak met centrale kolom toegevoegd. De overdekte toegang is rechtstreeks op de hoofdlaan van het park geënt en onderstreept zo de toegankelijkheid van het museum.

“Het gevelmateriaal is fundamenteel voor de materialisatie van het architecturale concept”, zegt Brigitte Massart over de panelen uit polycarbonaat. Het zorgt niet alleen voor een bijzonder lichtspel in exterieur en interieur, maar staat als eerder goedkoop materiaal in lijn met het sociale project van Créahm.

In de zuidwestelijke hoek, ter hoogte van de nieuwe ingang, werd een rond afdak met centrale kolom toegevoegd. De overdekte toegang is rechtstreeks op de hoofdlaan van het park geënt en onderstreept zo de toegankelijkheid van het museum.

Het Trinkhall paviljoen vervult van oudsher een sociale functie. Ook in het ontwerp van Béguin-Massart speelt het café een centrale rol. Op het gelijkvloers werd de volledige oostgevel opengewerkt om de verbinding tussen park en café in stand te houden.

Door rond het bestaande paviljoen een nieuwe huid te bouwen, ontstaat er extra ruimte. Aan de zuidzijde van het gebouw wordt die ingenomen door de primaire circulatie. De trap leidt bezoekers van de ingang naar het voormalige dakterras van het modernistische paviljoen, waar zich vandaag de tentoonstellingsruimte bevindt.

Het paviljoen uit de jaren 60 werd in zijn volledigheid bewaard. Enkel de zuidwestelijke hoek werd opengewerkt om ruimte te scheppen voor het onthaal en een kleine shop. De horizontale betonstructuur bleef wel bewaard, zij het ondersteund door nieuwe, slanke kolommen.

In een latere fase van het project werd de opdracht van architectenbureau Béguin-Massart verder uitgebreid met de museale inrichting. In de grote zaal werd geopteerd voor een modulair systeem dat naargelang de noden van de tentoonstelling aangepast kan worden. De hangende panelen benadrukken daarenboven het onderscheid tussen de originele structuur van het dakterras enerzijds en de nieuw toegevoegde structuur van witte, stalen portieken anderzijds.

Zicht op de grote tentoonstellingsruimte, met rechts in beeld de black box. Om buitensporige installatie- en operationele kosten te vermijden werd het grootste deel van het museum voorzien van basisklimatisatie. De translucentie van de gevelbekleding werd zodanig aangepast dat het risico op oververhitting beperkt blijft.

Enkel in de black box wordt aan de strengste eisen inzake klimatisatie voldaan. Hier worden dan ook de meest kwetsbare werken tentoongesteld.

Bovenop het ronde afdak dat de ingang van het museum bepaalt bevindt zich een extra tentoonstellingsruimte. Hier werd bewust geen relatie gelegd met het park. Met haar gesloten gevels faciliteert de bijna cirkelvormige ruimte een meer intieme bezoekerservaring.

Voor de bibliotheek aan de noordzijde van het gebouw ontwierp Béguin-Massart open boekenplanken, opdat het metselwerk van de originele gevel zichtbaar zou blijven.

De kantoren zijn ondergebracht in het witte volume bovenop de noordzijde van het oorspronkelijke dakterras. Om zicht te bieden op het park werd de noordgevel van dit volume, die oorspronkelijk gesloten was, opengewerkt.

Doorsnede van het Trinkhall Museum, met in het geel het bestaande paviljoen uit de jaren 60.
PreviousNextTwee grote raamopeningen bieden een zijdelingse blik op de gefacetteerde gevels van het modernistische Trinkhall paviljoen in het Luikse Park d’Avroy. Wanneer de avond valt en het nieuwe Trinkhall Museum als een baken oplicht tekent het silhouet van het paviljoen zich volledig op de semitranslucente gevel af. Omsluierd, maar een blijvend ankerpunt in het collectieve geheugen van de stad.
Op de locatie van het hedendaagse Trinkhall Museum vinden Luikenaars al sinds het einde van de negentiende eeuw, niet lang na de aanleg van het Park d’Avroy, een plek voor ontspanning en vertier. Het oorspronkelijke paviljoen, een eclectisch bouwwerk in glas en staal in de stijl van het Crystal Palace, houdt zo’n 80 jaar stand, maar loopt door bombardementen en een zware overstroming schade op en wordt uiteindelijk begin jaren 60 gesloopt. Een modernistisch exemplaar naar de hand van Maurice Chalant neemt zijn plaats in en zet de traditie van het paviljoen in de vorm van een luxerestaurant en danshal verder.
Twintig jaar later is er van de pracht en praal van weleer nog maar weinig te bemerken. Het gebouw is verlaten en wordt spontaan ingenomen door Créahm, een sociaal-artistiek initiatief dat zich inzet voor kunstenaars met een mentale handicap. Op een eerder geïmproviseerde manier installeert het collectief in het gebouw ateliers, een tentoonstellingsruimte en een café. Ondanks de officialisering van de occupatie door de herdoping tot MADmusée en een reeks kleinere ad hoc renovatiewerken, blijkt het paviljoen echter geen adequaat onderkomen voor de werken noch de kunstenaars. In 2008 zet de stad Luik, nog steeds eigenaar van het gebouw, daarom de lijnen uit voor een noodzakelijke opwaardering van zowel het bouwkundig erfgoed van het Trinkhall paviljoen als het sociaal-artistiek project van Créahm.
Compacte verdubbeling
De ambities van de stad zijn niet min. De wedstrijdoproep maakt niet alleen melding van een volledige renovatie van het bestaande paviljoen en een uitbreiding van de beschikbare oppervlakte met minimum 100%, maar stelt ook nog eens de eisen voor een museum van categorie B volgens de classificatie van de Fédération Wallonie-Bruxelles voorop. Daartegenover staat een beperkt budget van, oorspronkelijk, amper 1,3 miljoen euro. Een uitdaging waarop het Luikse architectenkoppel Aloys Beguin en Brigitte Massart volgens de jury het meest gepaste antwoord weet te geven.
“Ons uitgangspunt was erg duidelijk”, herinnert Brigitte Massart zich. “Onze ingreep moest zo compact mogelijk blijven. Enerzijds om de kosten van het project te beperken; anderzijds om niet onnodig veel ruimte van het park af te snoepen.” Een klassieke uitbreiding in de vorm van een aanbouw werd met andere woorden meteen van tafel geveegd. In de plaats voorzag Beguin-Massart een nieuw volume rondom het bestaande paviljoen. “Langs de verschillende zijden van het gebouw creëren we zo telkens twee à vier meter extra. Dat heeft een beperkte impact op de voetafdruk van het paviljoen, maar laat wel toe om diverse extra functies in de periferie te organiseren. Aan de zuidzijde bevinden zich bijvoorbeeld de ingang en de circulatie; aan de noordzijde bieden de extra meters onderdak aan een langgerekte bibliotheek. De oost- en westzijden worden ingenomen door respectievelijk het café en een tijdelijke tentoonstellingsruimte.”
De grootste oppervlaktewinst wordt geboekt op de eerste verdieping, waar het dakterras van het modernistische paviljoen, nu veilig ingesloten in het nieuwe volume en goed voor ongeveer 300 m2, als belangrijkste museale ruimte fungeert. In het witte volume bovenop de noordelijke helft van het dak, gekenmerkt door geometrisch gefacetteerde gevels, worden de educatieve ruimtes en kantoren ondergebracht. “De structuur en de materialiteit van het paviljoen uit de jaren 60 zijn zoveel mogelijk bewaard. Zo zijn de sculpturale gevels zowel in als buiten het museum zichtbaar en bewaarden we ook de originele gevelbekleding van de sokkel. Enkel de zuidwestelijke hoek van het oorspronkelijke paviljoen werd opengewerkt, om zo ruimte te scheppen voor tijdelijke tentoonstellingen, een kleine shop en een open onthaal.” Ook de toevoeging van een rond afdak met centrale kolom, met daarbovenop een extra tentoonstellingsruimte, moet de toegankelijkheid van het museum onderstrepen. “De overdekte toegang is rechtstreeks op de hoofdlaan van het park geënt, welke een belangrijke fiets- en voetgangersroute door de stad vormt.”
Een nieuwe huid
De extra oppervlakte ontstaat bij de gratie van een volledig nieuwe huid, opgetrokken uit portieken in wit gelakt staal en gevelpanelen in polycarbonaat. De hoge, slanke kolommen, semitranslucente gevelbekleding en afgeronde hoeken geven de sluier een beduidend lichte aanblik, maar refereren bij wijze van gelukkig toeval ook naar de architectuur van het negentiende-eeuwse Trinkhall paviljoen. Een aantal grote ramen, met schrijnwerk in blank hout, kadreren verschillende hoeken van het park – van binnenuit – alsook het bewaarde modernistisch paviljoen – van buitenuit. Ter hoogte van het café opent het gelijkvloers zich over quasi de volledige lengte van het gebouw naar park, terras en kiosk.
“Het gevelmateriaal is fundamenteel voor de materialisatie van het architecturale concept”, meent Massart. “Het is geen edel of select materiaal dat het museum als een afstandelijk instituut voor de hogere middenklasse tamboereert, maar net een heel eenvoudige en goedkope oplossing die aansluit bij de sociale ambities van Créahm. Doordat de verschillende lagen polycarbonaat in de panelen met een eerder opake coating afgewerkt zijn, ontstaat er bovendien een bijzonder lichtspel in zowel interieur als exterieur. Het geheel is immers semitranslucent, wat in de tentoonstellingsruimtes voor een heel dankbaar diffuus licht zorgt ongeacht de weersomstandigheden. Wanneer het buiten donker wordt en de kunstverlichting in het museum aanstaat, zie je van buitenaf dan weer hoe het silhouet van het modernistische paviljoen zich op de nieuwe gevel aftekent.” Het houten schrijnwerk vormt een warm contrastpunt ten opzichte van het eerder koele polycarbonaat en ook in verschillende nieuwe interieurelementen, inclusief de balie, de shop en de bibliotheek, komt het natuurlijke materiaal terug.
Doorheen het volledige traject verzekerde het architectenbureau zich ervan dat het historische bouwwerk en de nieuwe huid letterlijk en figuurlijk van elkaar gescheiden bleven. Aloys Beguin: “Middels de stalen portieken van 21 m breed is de nieuwe huid als een stolp of een sluier omheen het modernistische paviljoen gedrapeerd, opdat het historische bouwwerk als een soort sculpturaal object onderdeel wordt van het nieuwe museum. De huid raakt niet aan de oorspronkelijke gevels, maar creëert langsheen het voormalige dak en huidige tentoonstellingsplatform vides van maar liefst 9 m hoog. Ook de diverse presentatiepanelen maken nooit direct connectie met het oorspronkelijke dak, maar zijn zwevend opgesteld, opgehangen aan de stalen portieken. In de bibliotheek, waar de boeken tegen de oorspronkelijke noordgevel geplaatst worden, hebben we om diezelfde reden open boekenplanken ontworpen waarachter de materialiteit van de originele gevel zichtbaar én tastbaar blijft.”
Gedifferentieerde scenografie
Het museale ontwerp maakte oorspronkelijk nochtans geen onderdeel uit van de wedstrijdvraag. Het was pas naargelang het ontwerp vorderde en de budgetten en subsidies met diverse instanties gerenegotieerd werden dat ook de scenografie aan Beguin-Massart toevertrouwd werd. “In wezen was dat een logische beslissing”, aldus Beguin. “Vanuit onze positie als projectarchitect konden we als geen ander de interactie tussen oud en nieuw, alsook het bijzondere licht in de museale inrichting benutten, maar we hielden er doorheen het traject ook al nauwe contacten met de mensen van Créahm en MADmusée, en in het bijzonder toenmalig directeur Pierre Muylle alsook zijn opvolger Carl Havelange, op na. We begrepen bijgevolg erg goed wat de gebruiker nodig had, en dat was allerminst een karakterloze white cube.”
Het gebouw voorziet in verschillende tentoonstellingsruimtes met elk een eigen identiteit. De grote zaal op het dak van het originele paviljoen vormt het hart van het museum. “Deze ruimte is licht en flexibel. De stalen structuur van portieken en dwarsverbindingen geeft maat aan een modulair systeem van hangende panelen, waarbij elke module tevens voorzien is van apart te sturen kunstverlichting. Door de verschillende ramen en de semi-translucente gevelbekleding is er een constante relatie met het omliggende park. Dat is anders in de bijna cirkelvormige ruimte boven de entree, waar de gevel volledig dichtgewerkt is en er dus een meer aparte, intieme sfeer heerst.” Een nog grotere mate van intimiteit, tot slot, heerst er in de zogeheten black box: een compact, losstaand volume in de grote zaal dat met zijn zwarte wanden en doorgedreven klimatisatie geschikt is voor de presentatie van de meest gevoelige werken.
Selectief in technieken
In de uitdagingen die gesteld werden door het beperkte budget, vereiste het energetische plaatje van de architecten bijzondere aandacht. De keuze om een nieuwe huid rond het bestaande gebouw te plaatsen, zorgde voor een eerste vereenvoudiging. Massart: “Niet alleen biedt een compact gebouw per definitie energetische voordelen, maar het verloste ons tevens van een hele resem complexe ingrepen op de schil van het bestaande paviljoen. Daartegenover stond evenwel de doorslaggevende impact van het nieuwe gevelmateriaal.” Met een U-waarde van 0,8 W/m2 vormden de gevelpanelen in polycarbonaat in ieder geval een goede basis. Het bouwprincipe, waarbij de panelen middels een tand-en-groefverbinding aan elkaar geschakeld worden, verzekert daarnaast een goede luchtdichtheid, ook wanneer de panelen onder invloed van temperatuurschommelingen krimpen of uitzetten.
“Al die zaken werden op voorhand uitvoerig getest,” benadrukt Beguin, “en we maakten gaandeweg diverse prototypes, in het bijzonder voor de realisatie van de gebogen geveldelen. We experimenteerden daarbij ook met de lichtdoorlaatbaarheid van de bekleding. Elk paneel is opgebouwd uit tien lagen polycarbonaat die naar wens doorzichtig dan wel opaak afgewerkt kunnen worden. Initieel voorzagen we panelen met een hogere graad van translucentie, om zo de zichtbaarheid van het historische paviljoen van buitenaf te maximaliseren, maar uiteindelijk kozen we toch voor panelen met een hogere zonweringsfactor. Zij laten immers toe om extra kosten ten gevolge van een meer verregaande klimatisatie te vermijden.”
De ambitie om met het Trinkhall Museum een museum van categorie B te realiseren, stelde trouwens per definitie hoge eisen aan die technische post. “In principe moeten voor een dergelijk museum alle museale ruimtes volledig geklimatiseerd zijn, inclusief ventilatie, temperatuurbeheersing en controle van de luchtvochtigheid. Uit andere projecten weten we dat zoiets niet alleen een erg hoge investering vergt, maar bovenal buitensporige operationele kosten. Dat terwijl uit gesprekken met de museale partners duidelijk bleek dat het gros van de werken in principe minder strenge omstandigheden behoefde. In samenspraak met de opdrachtgever, gebruiker en het studiebureau hebben we daarom een tussenoplossing uitgewerkt. Die bestaat erin dat overal een basisklimatisatie gegarandeerd wordt en dat enkel in de black box aan de strengste eisen voldaan moet zijn.”
De technische ruimtes zijn in hoofdzaak ondergebracht in de kelder van het gebouw. “Er is tevens ruimte voorzien voor de opslag van werken”, vervolledigt Massart. “Dat gebeurde vroeger ook al, zij het allerminst in de beste omstandigheden. Wetende dat het Park d’Avroy aangelegd is op een gedempte arm van de Maas, kampte de kelder immers met aanzienlijk wat vochtproblemen. Als onderdeel van de renovatie hebben we daarom een nieuwe inkuiping, pompinstallaties en extra drainage voorzien.” Tijdens de overstromingen van afgelopen juli hebben zij meteen hun nut kunnen bewijzen: het museum, de technische installaties en het artistieke erfgoed bleven ongeschonden.
Projectfiche
- Opdrachtgever: Ville de Liège, Département des Bâtiments
- Architect: Atelier d’architecture Aloys Beguin-Brigitte Massart sc.sprl
- Hoofdaannemer: WUST sa
- Studiebureau Stabiliteit: Bureau Greisch
- Studiebureau Technieken: Bureau Greisch
- Advies Museale Verlichting: Jacques Fryns
- Oppervlakte: 2.108 m2
- Budget (excl. btw en erelonen): € 3.058.000
- Financiering: Fédération Wallonie-Bruxelles, Ville de Liège, Créahm
- Timing: 2008 – 2020