PROJECT IN DE KIJKER
Dimension 60 – mei 2021
Historisch museum krijgt hypermodern hart

In een eerste fase werd de bestaande bomvrije ruimte omgebouwd tot een centraal depot, waar de kunstwerken ook tijdens de werkzaamheden bewaard werden. © Karin Borghouts

In een eerste fase werd de bestaande bomvrije ruimte omgebouwd tot een centraal depot, waar de kunstwerken ook tijdens de werkzaamheden bewaard werden. © Karin Borghouts

Via een van de oorspronkelijke luiken kunnen grote werken rechtstreeks van het depot naar de bovenliggende ruimtes getransporteerd worden. © Karin Borghouts

De inkomhal van het museum, met originele negentiende eeuwse mozaïek. © Sebastian van Damme

De ronde trap verbindt de inkomhal met het lager gelegen gelijkvloers, waar onder meer de vestiaire, de bibliotheek en een interactieve informatiezone zijn ondergebracht. De gietvloer op het gelijkvloers werd afgewerkt met een moderne interpretatie van de negentiende eeuwse mozaïek in de inkomhal. © Stijn Bollaert

In de centrale Rubenshal zullen de belangrijkste werken van de collectie tentoongesteld worden. De originele ornamenten werden vakkundig gerestaureerd, en een nieuw klimaatsysteem subtiel geïntegreerd. © Sebastian van Damme

Doorgeefluiken in de wanden van de historische zalen zorgen ervoor dat de meest omvangrijke schilderwerken via een doordacht parcours tot in de juiste zaal gebracht kunnen worden. © Stijn Bollaert

“Hoe meer het lijkt alsof er niets gebeurd is, hoe meer tijd en moeite het gekost heeft”, zegt Dikkie Scipio over de restauratiewerken aan het negentiende eeuws museum. De radiatoren zitten net als vroeger onder de centrale banken verborgen. © Stijn Bollaert

De museale routes doorheen het oude en het nieuwe museum fungeren volledig onafhankelijk. Enkel op het niveau van de entree, waar bezoekers de ene dan wel de andere route kiezen, is er een expliciet raakpunt. © Sebastian van Damme

De hoge zaal in het nieuwe museum strekt zich uit over twee patio’s en drie verdiepingen, goed voor een totale hoogte van 23 meter. © Stijn Bollaert

Een monumentale “coulissetrap” leidt de bezoeker naar de hoger gelegen tentoonstellingszalen. Een vide brengt daglicht binnen en zorgt voor een verticale connectie met de ruimtes op de derde verdieping en het dak. © Stijn Bollaert

In de vides wisselen diverse materialen elkaar af. “De vormgeving benadrukt hoe de vide de massa van het verticale museum doorboort.” © Stijn Bollaert

In de vides wisselen diverse materialen elkaar af. “De vormgeving benadrukt hoe de vide de massa van het verticale museum doorboort.” © Stijn Bollaert

Tussen de nieuwe zalen onderling werd bewust het contrast opgezocht, om zo een veelheid aan scenografische mogelijkheden te creëren. In deze blauwe zaal zullen vooral delicate kunstwerken tentoongesteld worden. © Stijn Bollaert

Het opvallende dak werd van binnenuit ontworpen en trekt noorderlicht tot diep in het hart van het nieuwe museum. © Stijn Bollaert

Het opvallende dak werd van binnenuit ontworpen en trekt noorderlicht tot diep in het hart van het nieuwe museum. © Stijn Bollaert

In de U-vormige bovenzaal zijn de vides omzoomd door massieve borstweringen in zwart en grijs marmer. Zij kunnen tevens dienstdoen als sokkel. © Sebastian van Damme

Een pivoterende wand van 5,5 x 9 m laat toe om een deel van de zalen klimatologisch af te schermen, zodat grote werken via de kunstlift en een alternatieve doorgang in en uit het museum getransporteerd kunnen worden. © Stijn Bollaert

Het nieuwe museum werd opgevat als een inbreiding en verticaal opgebouwd vanuit de vier originele patio’s van het negentiende eeuwse museum. Vanop de straat is de ingreep volledig onzichtbaar; enkel van bovenaf vallen de 198 driehoekige koepels van het nieuwe dak o © Mediamixer
PreviousNextAchter de gekende monumentale gevels van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, stilaan volledig in ere hersteld, gaat een nieuw geheim schuil. Oprijzend vanuit de vier patio’s wentelt een nieuw museumvolume zich doorheen het negentiende eeuwse gebouw. Spierwit en hypermodern, doch onzichtbaar vanop de straat. Een schijnbaar gezichtsloze architecturale ingreep, die zich tijdens een bezoek slechts met mondjesmaat prijsgeeft.
De werken aan het KMSKA hebben een sleutelpunt bereikt. Bijna tien jaar na het sluiten van de deuren is de uitbreiding opgeleverd en zijn ook de belangrijkste restauratiewerken aan de zalen en publieke zones afgerond. Een “nulmoment” noemt Dikkie Scipio (KAAN Architecten) het, waarop de kunst nog geen intrek heeft genomen en de architectuur zich in alle maagdelijkheid toont. De architecte en projectverantwoordelijke gidst ons doorheen deze uitzonderlijke ervaring.
Het moet van 1890 geleden zijn, toen het museum werd opgeleverd, dat zo’n nulmoment zich in het KMSKA nog voordeed. Opgetrokken in monumentale eclectische stijl en opgevat als inherent onderdeel van de toenmalige stedenbouwkundige ontwikkeling, gold het ontwerp van Jean Jacques Winders en Frans Van Dijk als toonbeeld van de negentiende-eeuwse museale architectuur. Een waarlijk paleis voor schone kunsten met een duidelijk axiale opbouw, waarin een bezoek zich ontwikkelde als wandeling doorheen de logische opeenvolging van zalen en kamers.
Totdat oorlog en moderne noden het pleit van het gebouw wonnen. Een eeuw na de opening was de ooit zo natuurlijke rondgang door toevoeging van dwarswanden, technische ruimtes, opslagplaatsen en extra functies zoals cafetaria en bibliotheek immers verworden tot een gefragmenteerd labyrint.
Het was in 2003 dat de Vlaamse Overheid en het Fonds Culturele Infrastructuur besloten om paal en perk te stellen aan de nochtans typisch Vlaamse traditie van ad hoc uitbreidingen en aanpassingen. Een Open Oproep voor de masterplanning van de site, inclusief uitbreiding en renovatie, werd uitgeschreven en datzelfde jaar nog toegekend aan het toenmalige Claus en Kaan Architecten, nu KAAN Architecten. Via daaropvolgende aanbestedingen werd het bureau tevens verantwoordelijk gesteld voor de bouw van een nieuw depot, de sloop van de diverse aanbouwingen, de renovatie van het bestaande interieur en het ontwerp van een nieuw museumvolume. Artes Roegiers trad in alle fases op als hoofdaannemer en er werd nauw samengewerkt met erfgoeddiensten en gespecialiseerde vakmannen.
Onderdeel van de collectie
Centrale gedachte in het ontwerp van KAAN Architecten was het respect voor het oorspronkelijke museumgebouw. “Hoewel de architectuurwereld op dat moment nog een eerder kwalijke relatie had met dit soort monumentale negentiende-eeuwse gebouwen, stond het voor ons vast dat het museum een onderdeel van zijn eigen collectie moest vormen”, aldus Scipio.
Daartoe werd in de eerste plaats de logica van het historische museum hersteld. Zowel op de eerste verdieping, waar het publiek binnenkomt, als op de hogergelegen hoofdverdieping met onder meer de centrale Rubenszaal zijn blokkades verwijderd en volledige dwarsbeuken weer opengesteld om de oorspronkelijke rondgang opnieuw toegankelijk te maken. De inrichting volgt de oorspronkelijke drieleding van het gebouw, waarbij de voorste zone fungeerde als ware het een verlengde van de straat, de centrale zone als museale ruimte en het achterste travee de kantoren en diensten herbergde. “De winkel, koffiebar en het restaurant zijn nu mooi in het voorste gedeelte van het gebouw ondergebracht en worden zo onderdeel van de publieke ruimte van het plein, waar nog veel andere horeca en galeries zitten.”
Visueel hebben de historische ruimtes ook hun oorspronkelijke grandeur herwonnen. “Op basis van de oorspronkelijke bestekteksten en in nauw overleg met de erfgoeddiensten werkten we zoveel mogelijk naar de originele toestand toe. Zo kregen de zalen op de bovenste verdieping weer hun oorspronkelijke kleuren, werden stuco’s hersteld en lambriseringen en schrijnwerk opnieuw toegevoegd. Hoe meer het lijkt alsof er niets gebeurd is, hoe meer tijd en moeite het effectief gekost heeft.”
Het respect voor het bestaande gebouw dicteerde echter niet alleen de renovatie. “Er moest natuurlijk oppervlakte toegevoegd worden,” geeft Scipio toe, “maar we hebben er bewust voor gekozen om daarvoor niet iets naast, op of aan het gebouw toe te voegen. Er mocht geen concurrentie ontstaan. Onze uitbreiding is dan ook opgevat als een inbreiding, die zich binnen een heel strikt kader ontwikkelt: de vier patio’s binnenin het gebouw enerzijds en de zichtlijnen van de randen van het plein over de dakrand heen anderzijds. Zodoende blijft de ingreep vanop straat onzichtbaar.”
In contrast
Van in de vier patio’s werd het nieuwe volume middels een hypermoderne staalstructuur opgetrokken tot een niveau net onder de nok van de centrale Rubenszaal. Binnenin wentelen trappen, zalen en looproutes zich langs, onder en over de historische zalen heen.
Opvallend: hoewel beide wandelingen ruimtelijk met elkaar verstrengeld zijn, blijven beide ervaringen volledig onafhankelijk van elkaar. Enkel op het niveau van de entree, waar bezoekers in de Keizerszaal de keuze wacht welke route ze zullen aanvangen, is er een expliciet raakpunt. “Ons gevecht bestond erin om de overgang tussen de twee museale ruimtes expliciet niet te ontwerpen. Daardoor kunnen ze niet alleen onafhankelijk van elkaar fungeren, maar houden we ook elk museum in zijn eigen kracht, zonder gaandeweg iets van de ander prijs te geven.”
Dat het nieuwe museum geen gevel heeft, betekent in ieder geval niet dat het doelloos in zijn negentiende-eeuwse schil opgaat. “Een krachtig gebouw als het KMSKA vraagt om een krachtig antwoord”, meent Scipio. “Daarom heeft het nieuwe volume een geheel eigen karakter meegekregen, dat in sterk contrast staat met de historische zalen. Waar in het oude museum alles is opgebouwd door lagen materiaal op elkaar te leggen, als een soort zwaarte, zijn de zaken hier zoveel mogelijk gedematerialiseerd.” Het gebruik van marmer en bepaalde kleuraccenten verwijst weliswaar nog naar de historische context, maar in hoofdzaak maken strakke lijnen, greeploze deuren, witte muren en glanzende gietvloeren de dienst uit.
Een symmetrische, leesbare rondgang is er in het nieuwe museumvolume evenmin; wel een soms desoriënterend kluwen van gestapelde zalen, variërend in afmetingen en sferen, dat zich eerder verticaal dan horizontaal ontwikkelt. Wit voert de boventoon, maar van een polyvalente en identiteitsloze white cube is geen sprake. “Ook tussen de nieuwe zalen onderling hebben we bewust het contrast opgezocht, van de hoge zaal die zich uitstrekt over twee patio’s en drie verdiepingen tot de smalle naastgelegen nis onder de trap, of van de uitgestrekte lichtrijke U-vormige bovenzaal tot de meer besloten onderliggende blauwe zalen. Daarmee scheppen we een kader van heel verschillende mogelijkheden, dat scenografen moet aansporen om de ruimtes op een creatieve manier te benutten.”
Daglichtmuseum
Net als in zijn oorsprong blijft het volledige KMSKA in de toekomst een daglichtmuseum. In de historische zalen is het enkel glas van de daklichten daartoe vervangen door sandwichpanelen van veiligheidsglas en een extra restauratieglas aan de binnenzijde. Een geïntegreerde zonnewering laat toe om de lichtinval via de lichtstraten precies te regelen. Op de eerste verdieping werden de oorspronkelijke ramen naar de patiozijde om evidente redenen niet blootgelegd, maar wordt wel opnieuw de volledige hoogte van de ramen aan de straatzijde benut. “Jarenlang blokkeerden een systeemplafond en een verlaagd plafond uit beton de bovenlichten van deze ramen. Beide werden verwijderd, wat in het geval van het betonnen plafond toch de nodige moeite kostte.”
Het nieuwe museumvolume, volledig ingewerkt in de massa van het historische gebouw, trekt al zijn licht van bovenaf, meer bepaald via 198 driehoekige koepels uit gewapend gips die als vinnen op het nieuwe dak zijn gepositioneerd. Een verrassend iconische keuze voor een dak dat vanop straat niet zichtbaar is. “De elementen zijn uitdrukkelijk van binnenuit ontworpen om noorderlicht binnen te trekken en voor voldoende differentiatie doorheen de ruimte te zorgen. In elk element is tevens een kunstlichtmodule opgenomen, waarmee we het daglicht indien nodig op indirecte wijze kunnen compenseren.”
Via verschillende vides wordt het licht van de koepels tot de laagste niveaus van het verticale museum doorgetrokken. Op de bovenste verdieping zijn ze omzoomd door massieve borstweringen in zwart en grijs marmer, op de onderliggende niveaus wisselen lagen witte muur, zwart en grijs marmer en beglazing elkaar af. “De vides gelden niet als uitkijkpunt,” verklaart Scipio, “maar staan in functie van het licht en de verticaliteit van het museum. De vormgeving benadrukt hoe de vide de massa van het verticale museum doorboort.”
In functie van de kunst
Wilden opdrachtgevers en architecten met de masterplanning, uitbreiding en renovatie van het KMSKA een einde maken aan de puinhoop van aanbouwen en functiewijzigingen die de ooit zo logische museumrondgang had lamgelegd, dan konden de diverse toegevoegde functies uiteraard niet zomaar achterwege gelaten worden.
Zo bestond de allereerste ingreep van de architecten erin om de bestaande bomvrije ruimte onder de Rubenszaal en de atoomkluis om te bouwen tot één centraal depot van 3.660 m2, stof- en trillingvrij, waar de volledige collectie zelfs tijdens de werkzaamheden veilig bewaard kon worden. “Interessant detail zijn de luiken die de ruimte rechtstreeks met de bovenliggende zaal verbinden. Zij werden origineel al voorzien om de belangrijkste werken in geval van calamiteiten snel in veiligheid te kunnen brengen. Ironisch genoeg moesten we deze luiken net omwille van de brandveiligheid weer allemaal afsluiten. Slechts één bleef bewaard en werd aangepast tot volwaardig brandluik, zodat er in geval van problemen nog steeds snel gehandeld kan worden. Erg grote werken kunnen via dit luik tevens in en uit het depot gehaald worden.”
En zo zitten er nog slimme trucjes in het gebouw om het transport en de veiligheid van kunstwerken te vrijwaren. Een grote kunstlift achteraan het museum verbindt alle verdiepingen van zowel het nieuwe als het oude museumvolume, inclusief het depot. Subtiel geïntegreerde doorgeefluiken doorheen de wanden van de bovenste historische zalen zorgen ervoor dat ook de meest omvangrijke schilderwerken tot in de juiste zaal gebracht kunnen worden en moeten dergelijke grote stukken de deur uit, dan verzekert een enorme pivoterende wand in de achterste dwarsbeuk dat de achterliggende zalen klimatologisch afgeschermd worden terwijl de werken via een alternatieve uitgang naar buiten worden gebracht.
Het juiste en stabiele klimaat wordt op zijn beurt voorzien door een gloednieuw A-klimaatsysteem, dat vanop de technische verdieping in het nieuwe museumvolume – gelegen tussen de bovenzaal en de blauwe zalen – zowel het verticale als het historische museum bedient. Werden de luchttoevoeren in de nieuwe zalen zichtbaar in de architectuur geïntegreerd in de vorm van rechthoekige perforaties onderin de wanden, dan blijven de technieken in de historische zalen volledig verscholen. Radiatoren zitten net als vroeger onder de centrale banken verborgen, langs de wanden daalt zuivere lucht naar en overtollige lucht wordt via het velum afgezogen.
In termen van scenografie, tot slot, biedt het KMSKA dankzij zowel de renovatie als de uitbreiding een veelheid aan mogelijkheden voor alle kunstvormen. “Met de historische zalen beschikte het KMSKA al over tal van mogelijkheden voor zowel de moderne horizontale presentatie van werken – helemaal op zijn plaats in de neutrale zalen op de eerste verdieping – als de meer klassieke wandvullende presentatie die oorspronkelijk in de Rubenszaal en de bovenste rondgang gehanteerd werd. De heterogene tentoonstellingsomgeving die we nu met het nieuw volume hebben toegevoegd, breidt de mogelijkheden uit en laat toe om ook ruimtelijke installaties en andere werken in een heel andere sfeer onder te brengen. Er is met andere woorden een heel scala aan scenografische mogelijkheden, al is het nog even wachten alvorens we dat ook effectief in werking zullen zien.”
Tekst: Elise Noyez
Tijdlijn
- Open Oproep Masterplan: 2003
- Toekenning Claus en Kaan Architecten: 2003
- Opmaak masterplan: 2003 - 2010
- Sluiting museum: 2011
- Bouw intern depot: 2011 - 2014
- Afbraakwerken: 2011-2014
- Bouw nieuw volume: 2014 - heden
- Renovatie kantoren en ateliers: in uitvoering
- Renovatie en restauratie museum: 2011 - 2020
Technische fiche
Opdrachtgever: Departement Cultuur, Jeugd en Media (Vlaamse Overheid)Architect: KAAN ArchitectenHoofdaannemer: THV Artes Roegiers – Artes WoudenbergCoördinatie: Agentschap Facilitair Bouwbedrijf (Vlaamse Overheid)Landschapsarchitectuur: Team van Meer!Studiebureau: Royal Haskoning DHV, Bureau Bouwtechniek, KAAN ArchitectenAdviseur restauratie: Architectenbureau Fritz, KAAN ArchitectenTotaaloppervlakte project: 30.000 m2