INSTALLATIE & TECHNIEK
Dimension 59 – februari 2021
Ongewenste straling van distributiecabines? Zo los je het op.
IMEC en NAV werken samen aan een onderzoek naar de blootstelling aan magnetische velden van distributiecabines in en aanpalend aan gebouwen. Hoe kunnen we de impact daarvan op omwonenden verminderen?
Elektriciteitscabines veroorzaken magnetische velden die ontstaan door de stroom die erdoor vloeit. De grootte van het magnetisch veld hangt af van de stroomsterkte en de opbouw van de cabine. Omdat er veel ongerustheid is over mogelijke gezondheidseffecten van magnetische velden, werken IMEC en NAV samen aan een onderzoeksproject in opdracht van het Departement Omgeving van de Vlaamse Overheid.
Dit project zal leiden tot een Code van Goede Praktijk voor distributiecabines. Actoren betrokken bij de plaatsing van distributiecabines zullen er kunnen terugvinden hoe de blootstelling van omwonenden aan magnetische velden kan verminderd worden door de oordeelkundige plaatsing en/of inrichting van distributiecabines.
NAV stuurde een elektronische enquête uit naar alle Vlaamse architecten. 196 geïnteresseerden namen hieraan deel. Zo goed als alle deelnemers zijn vragende partij voor meer informatie over magnetische velden rondom distributiecabines. Uit de antwoorden is dan ook af te leiden dat de Code van Goede Praktijk die het Departement Omgeving zal opmaken zeer welkom is.
“Nood aan een code van goede praktijk”
We interviewde zeven ervaringsdeskundigen op het gebied van magnetische velden rond distributiecabines. Het gaat om Jurgen Depermentier en Sven Adams van distributienetbeheerder Fluvius; Diane Patfoort van de Stad Brugge, koploper op het gebied van de beperking van magnetische velden; Maurits De Ridder als arts en gewezen onderzoeker van de Universiteit Gent; Bruno Deraedt als architect en erg begaan met het verminderen van straling in woningen; Elise Darchambeau van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; John Bolte als natuurkundige en epidemioloog aan het RIVM in Den Haag en ten slotte Guy Vandenbosch als onderzoeker naar elektromagnetische velden aan de KU Leuven. Zij gaven antwoord op een aantal vragen met betrekking tot de huidige regelgeving, mogelijke gezondheidsrisico’s en mogelijke maatregelen om gezondheidsrisico’s te vermijden. Hun antwoorden zijn een persoonlijke visie van de geïnterviewde personen en zijn niet het standpunt van het NAV of van het Departement Omgeving.
Het Vlaams Planbureau voor Omgeving plant de opmaak van een Code voor goede praktijk voor het verminderen van de blooststelling aan magnetische velden bij distributiecabines. Vindt u dit een goede zaak?
Jurgen Depermentier en Sven Adams: “De resultaten van de NAV-enquête geven aan dat er nood is aan een Code van Goede Praktijk: zowel de architecten als Fluvius zouden hier baat bij hebben. Momenteel heeft Fluvius wel al een leidraad voor bouwpromotoren en aannemers over de plaatsing van cabines. Die werd gemaakt naar aanleiding van vragen van bouwpromotoren. Wij geven in de leidraad meer uitleg over het technische luik van de plaatsing, zoals de ruimte die nodig is. De leidraad is gericht op zaken die kunnen mislopen op technisch vlak zoals materiaalgebruik en/of voorzieningen voor ventilatiekanaal indien er kortsluiting, brand of explosiegevaar zou optreden. In de leidraad werd er geen info over gezondheid opgenomen omdat het thema bij de opmaak nog niet zo actueel was. Er werden toen een paar vragen per jaar over gesteld, nu is dat een veertigtal. Fluvius heeft momenteel wel een interne richtlijn met een aantal maatregelen, gericht op het vermijden dat de wettelijke norm van 20 microtesla overschreden wordt. Voor gevoelige personen streeft Fluvius ernaar om te voldoen aan de richtwaarde van 0,4 microtesla. Wij voeren momentane metingen uit na een inschatting van de belasting van de cabine. Als er hoge waarden te verwachten zijn dan wordt er langdurig gemeten.”
Zijn er momenteel maximale normen opgelegd aan magnetische velden, en zo ja, welke?
Maurits De Ridder: “De internationale norm voor korte blootstelling bij volwassenen bedraagt momenteel 1000 microtesla. Voor kinderen en zieke mensen wordt 200microtesla aangehouden als wetenschappelijke norm. Er is daarnaast een Europese aanbeveling die 100microtesla aangeeft, maar deze is eigenlijk verouderd. Deze wordt wel gehanteerd en is nuttig voor bijvoorbeeld pacemakers. Van zodra men deze norm hanteert kunnen er geen kortetermijneffecten zijn. In Vlaanderen wordt een wettelijke norm vastgelegd in het Binnenmilieubesluit. Die is strenger dan de Europese aanbeveling en is teruggebracht op 20microtesla. Je kan een woning onbewoonbaar laten verklaren wanneer die norm overschreden worden. In Wallonië en Brussel is er geen wettelijke norm. Daarnaast is er een mogelijk langetermijneffect dat niet bewezen is. Uit voorzorg wordt 0,4microtesla aangehouden om lange termijneffecten uit te sluiten. Maar dit is een toevalsgetal. Het betekent dat ooit iemand in een studie 0,4 als grens heeft gebruikt, maar het had ook 0,3 of 0,5 kunnen zijn. Door de jaren heen is er daardoor een algemene consensus gekomen dat 0,4 een voorzorgsprincipe is. Dit voorzorgprincipe is momenteel dus niet wettelijk vastgelegd. In het kader van volksgezondheid is die voorzorgsmaatregel tijdelijk aanvaard tot er meer wetenschappelijke informatie is.”
Legt u bijkomende maatregelen op ter vermindering van de blootstelling aan elektromagnetische velden van distributiecabines? Zijn die bijkomende normen dan gemakkelijk te consulteren voor architecten?
Diane Patfoort: “Hier bij Stad Brugge gebruiken we de waarde van het binnenmilieubesluit van 0,4 microtesla als norm, niet als richtwaarde. Wij houden deze norm ook aan voor werkruimtes, omdat ook hier mensen langdurig blootgesteld worden aan het magnetisch veld. Wij doen dat uit voorzorg omdat wij de norm van 20 microtesla veel te hoog vinden. Voor hoogspanningsleidingen geven studies aan dat 20microtesla te hoog is, dus is dat volgens ons ook het geval voor distributiecabines. Momenteel zijn die bijkomende normen niet gemakkelijk te consulteren. Ze staan niet in de bouwverordening. We zijn er mee bezig om dit op te nemen. Voorlopig is er dus geen communicatie naar de architecten toe. Maar architecten die veel in Brugge werken weten wel wat onze norm is. Stad Brugge heeft hier nog geen voortouw in genomen omdat er weinig draagvlak voor is bij architecten en in de bouwwereld. Langzaam wordt het draagvlak groter.”
Is er in het Brussels Hoofdstedelijk gewest reeds ervaring met het opmaken van richtlijnen en maatregelen waaraan distributiecabines moeten voldoen?
Elise Darchambeau: “Wij maken een onderscheid tussen bestaande cabines en nieuwe cabines. Voor bestaande cabines bedraagt de norm maximum 100µT aan de buitenzijde van het lokaal. Voor nieuwe cabines is er een ministerieel besluit dat een maximum van 0,4µT oplegt in ruimtes waar geregeld kinderen jonger dan 15 jaar kunnen verblijven. Als dit niet mogelijk blijkt dan vragen wij een gemotiveerde vraag tot afwijking, aangevuld met simulaties en een economische haalbaarheidsstudie. De maximale norm in het geval van een afwijking bedraagt 10µT. Het is dan aan de uitbater om de voorwaarden van zijn vergunning te controleren en toe te passen. Wij doen ook geen metingen voor en na. Soms doet de inspectie een globale meetcampagne, maar meestal wordt er enkel geïnspecteerd wanneer een bepaalde klacht is.”
Is het volgens u noodzakelijk om de blootstelling van elektromagnetische velden van distributiecabines te verminderen in woonomgevingen?
Guy Vandenbosch: “Het probleem met dergelijke normen is dat dit een politieke beslissing is gebaseerd op wetenschappelijke feiten vastgesteld op een bepaald moment. Het is niet zo zwartwit. Het verdient dus aanbeveling om zo laag mogelijk te gaan, als het economische kostenplaatje niet te hoog is. Ik heb nog nooit een studie gezien die aantoont hoe ver men kan gaan met het verlagen van de norm zonder dat de kosten te hoog worden. De distributieleveranciers hebben niet de natuurlijke neiging om naar beneden te gaan. Zij gaan niet zelf zoeken naar systemen om naar beneden te gaan. Dit moet dus ingevuld worden door de politiek. Daarenboven, als men een (lage) norm oplegt dan moet men die ook nameten. Meten is weten. In het geval van distributiecabines blijven de magnetische veldwaarden hoogstwaarschijnlijk ongeveer hetzelfde met wat pieken en dalen, en die kunnen dus perfect gemeten worden.”
Welke zijn de maatregelen om elektromagnetische velden af te schermen en wat is uw mening over hun efficiëntie?
John Bolte: “Afscherming met ferromagnetische materialen (staal, permalloy) en of goed geleidend elektrisch materiaal (koper, aluminium) Is heel kostelijk. Je kan een elektromagnetisch veld niet gemakkelijk tegenhouden met gewone metalen. Daar is de frequentie te laag voor. Die velden gaan dwars doorheen een netwerk van geleidend materiaal. Het houdt radiogolven tegen maar geen elektromagnetisch velden van 50 Hz. Maar er zijn heel dure metalen die dat wel kunnen. Een speciale configuratie van de inkomende en uitgaande leidingen kunnen heel goed werken, maar in de transformator zelf kan hier niet veel mee gebeuren. De kabels worden dan bv. met elkaar vervlochten of in drie fasen aangelegd, zodat het veld elkaar opheft. Actieve en passieve compensatie door het opdringen van een tegengesteld magnetisch veld wordt enkel toegepast bij MRI in ziekenhuizen en bij industriële toepassingen, waar heel hoge waarden van het elektromagnetisch veld worden gemeten, niet in distributiecabines. Afstand bewaren helpt goed bij de lage frequenties van distributiecabines, maar niet als enige maatregel. Het kan helpen om de cabines groter te maken, om zo de afstand tot de woonruimtes te vergroten. Naast afstand is ook de indeling van de cabine even belangrijk. Er zijn verschillende posities en wikkelingen van de transformator mogelijk. De richting en de positie van de wikkeling is van belang voor het magnetisch veld. De spoel moet zo gedraaid zijn dat het sterkste veld wijst naar een zone waar zich geen mensen bevinden. Dit kan op voorhand gemodelleerd worden.”
Hebt u al projecten gerealiseerd waar een distributiecabine werd geplaatst in of aan het gebouw?
Bruno Deraedt: “Meestal houden wij voldoende afstand. Maar we hebben een project waar dat niet haalbaar is. Het betreft een specifieke vraag van een organisatie die bezig is met duurzaam bouwen. Zij hebben een pand in Gent waar zij verplicht zijn om een hoogspanningscabine te integreren. De oude cabine moet verplaatst worden naar de straatzijde. Boven deze cabine komen later woningen. De cabine komt ook naast een woonruimte van de buren. De bestraling naar boven en naar de buren toe moet afgeschermd worden omdat we daar geen afstand kunnen bewaren. We hebben een kooi van Faraday gebouwd. De cabine is deels in gewapend beton en deels in betonsteen met pleisterwerk. Het beton is gewapend met een gelast net van 150x150mm. De betonstenen wand is bekleed met een gepleisterde kippengaas. De kabels komen binnen langs de grond en deze koker is ook opgenomen in de kooi van Faraday. De wapening en het kippengaas zijn verbonden met een aardingspen. We weten nog niet of dit zal resulteren in een lager elektromagnetisch veld.”
Nvdr: Deze case wordt opgenomen in het onderzoek en zal uitgemeten worden.
Redactie: Ir.-arch. Silvia De Nolf, adviseur studiedienst NAV
Foto: Jeroen Van Looy/ID