@HOME  
Dimension 59 – februari 2021

Delmulle Delmulle architecten

“Vorm is het logische uitvloeisel van een intensief proces”

Delmulle Delmulle architecten hebben in Petegem-aan-de-Schelde (Wortegem-Petegem) hun eigen fief uitgebouwd. In de voormalige cichoreibranderij De Lelie brachten ze niet alleen hun architectenbureau onder, maar ook hun beider woningen. Vader Frank vormde de droogtoren achteraan om tot een over vier niveaus uitgesmeerde verticale loft met panorama op het landschap en de Schelde. Zoon Seger is gehuisvest in een van de twee flankerende en door hem geüpdatete directeursvilla’s in cottagestijl.

Het verhaal van hun samenwerking leest als een roman. Seger kreeg de liefde voor architectuur spreekwoordelijk ingelepeld door zijn vader/architect en zijn moeder/interieurarchitect. “Als voorbereiding op de architectuurstudies volgde ik in Gent kunsthumaniora”, blikt hij terug. “Omdat mijn vader, hoogleraar aan de KU Leuven, les gaf in Gent, besloot ik voor mijn architectuuropleiding naar Brussel te verkassen. Voor de masters ben ik teruggekeerd naar Gent omdat mijn sociaal leven zich daar afspeelde. Mijn laatste jaar maakte ik vol aan de universiteit van Tokio, waar ik onder andere les kreeg van Toyo Ito.”

The sky was the limit toen de nieuwbakken architect in 2008 zijn studie afsloot. “De wereld lokte. Via Skype, een communicatiemiddel dat toen nog redelijk nieuw was, stelde ik mijn kandidatuur bij onder andere bureaus in New York en Los Angeles. Bij agps, waar een vriend van mij werkte, was de respons positief. In afwachting van een verhuizing naar LA ging ik tijdens de zomer alvast aan de slag in het bureau van mijn vader. Die gunde me meteen veel verantwoordelijkheid en voor we het beseften waren er zes maanden verstreken. Op dat ogenblik zeiden we tegen elkaar: misschien moet ik me hier toch maar als stagiair inschrijven. Sindsdien werken we samen.”

“Mensen denken al snel dat mijn bedje gespreid was. In het bureau van je vader instappen, kan het nog gemakkelijker? Maar in werkelijkheid was dat niet het geval. Zijn lesopdracht slorpte veel tijd op, wat ten koste ging van zijn architectenbureau. Zoals elke jonge architect ben ik van start gegaan met de gebruikelijke kleinere opdrachten voor kennissen. Geleidelijk breidde ik zo mijn aandeel in het verwerven van nieuwe opdrachten uit.”

“Seger organiseert vandaag het bureau en ik werk met hem samen”, beaamt Frank Delmulle. “Soms vraag ik me wel eens af waar het bureau had gestaan als ik mij niet in de architectuuropleiding had geëngageerd, maar dat is natuurlijk een hypothetische kwestie. Sinds oktober laatstleden ben ik met emeritaat. Academisch staat alleen nog de verdediging van mijn doctoraat op het programma. Door de pandemie loopt die vertraging op, onder meer omdat er twee Nederlanders deel uitmaken van de examencommissie.”

Met de intrede van Seger werd meteen ook de naam van het architectenbureau gewijzigd. Een statement waarmee de ambities in de verf worden gezet, maar voor Frank geen voor de hand liggende stap. “Na de aankoop van de cichoreifabriek heb ik de vroegere naam van de branderij, De Lelie, omgevormd tot het anagram IDEEELL als naam van mijn bureau. De oude letters op de gevel hebben we een nieuwe verflaag gegeven en in de aangepaste lettercombinatie herplaatst. In feite wou ik die benaming behouden, maar Seger drong er op aan ons beider namen te gebruiken. Hij verwees daarvoor onder andere naar zijn oom, typograaf Gert Dooreman, de broer van mijn vrouw, die ook onder zijn eigen naam werkt. Gert argumenteerde dat ons werk, net als het zijne, behoorlijk persoonlijk is en dat ons bureau dan ook onze naam mocht dragen, liever dan een afkorting of een anagram. Omdat we er onderling niet uitkwamen, hebben we een externe adviseur geraadpleegd. Die steunde Seger, dus heb ik mij daarbij neergelegd. Terecht, achteraf bekeken, want onze naam verduidelijkt dat we twee entiteiten vormen die elkaar versterken. Een plus een is drie, zeg maar.”

Van Tissergate over Pienza naar Zoutleeuw

De academische activiteiten van Frank Demulle mochten dan een rem zetten op de ontplooiing van het architectenbureau, ze vormen evengoed een bron van inspiratie. “Mijn doctoraatsthesis beslaat een prospectivistische verkenning van hoe een klassiek dorp in Vlaanderen idealiter zou kunnen worden ingevuld, geënt op een stel krachtlijnen waaraan ik al jaren onderzoek besteed. Om te beginnen is er de sociale dimensie, waarvoor ik me laat inspireren door Tissergate in Zuid-Marokko, de best bewaarde omwalde stad uit de streek. In een dergelijke ksar leven arm en rijk, jong en oud, zwart en blank, berbers uit verschillende stammen zonder segregatie samen en staan somptueuze paleizen naast onooglijke woningen. Het bouwmateriaal, aangestampte aarde, heeft ook een sociaal verbindende functie. Het is niet bestand tegen regen. De zeldzame keren dat het daar regent, moet iedereen, elk volgens zijn eigen mogelijkheden, dan ook aan de slag om de schade te herstellen.”

“Daarnaast is er de architecturale krachtlijn waarvoor ik teruggrijp naar Pienza, de UNESCO Werelderfgoedstad die paus Pius II op zijn geboorteplek Corsignano liet bouwen als ideale stad, op basis van de getallentheorie van Alberti. De verhoudingen tussen grondvlak en opstand, de sterke pleinwerking, de manier waarop de zon op de geboortedag van Pius precies op een bepaalde plek valt, dat alles tracht ik te vertalen naar een dorp in België. Zoals ik al zei gaat het om een utopisch concept dat niet bouwbaar is. In de ideeën zitten onder andere een enorme schijf die meedraait met de zon en als een soort superzonnepaneel voorziet in de benodigde energie, interactieve gebouwen die verdwijnen als er geen gebruikers zijn, of meditatieruimtes in beton die los van elke dragende constructie een meter boven het maaiveld zweven.”

De weerslag van deze verkenningen op de architectuurpraktijk is onder andere merkbaar in het PPS-project Ravelijn in Zoutleeuw, dat een WZC met herstelverblijf en assistentiewoningen, een veertigtal eengezinswoningen, een centrum voor jeugdverenigingen en een randparking omvat. “We negeerden het bestaande BPA en de opgelegde inplanting, die bouwen buiten de vestingwallen verboden en een hoog WZC naast de waterkrachtcentrale vooropstelden. In plaats daarvan presenteerden we een project met een meer transgenerationeel en sociaal karakter, namelijk een laag WZC buiten de vesten, in het groen en op wandelafstand van het centrum, dat overloopt in de nieuwe residentiële ontwikkeling, en een toren in het centrum voor de jeugd.”

Ontwerpfilosofie

Delmulle Delmulle architecten hanteert een duidelijke ontwerpfilosofie die ze uitgebreid op schrift hebben gesteld. Centraal staan de omgeving, het programma en de gebruiker. Seger Delmulle: “Vorm is voor ons een logisch uitvloeisel van een uitvoerig proces. Architectuur is in eerste instantie een sociaal-maatschappelijk en niet een esthetisch vormgevend beroep. Discussies over mooi en lelijk hebben dan ook geen zin. In wedstrijden is dat niet altijd een voordeel. Voor interessante projecten moet je gegarandeerd de degens kruisen met grote kleppers en riskeer je dat de eindkeuze vooral op de vormgeving is gebaseerd. Daarom opteren we wel eens voor de strategie die we ook in Ravelijn hebben toegepast, met name een verrassend andere aanpak. Daarmee spring je eruit, maar is het ook alles of niets, zeker als het wedstrijdprogramma en het BPA ervoor moeten worden aangepast zoals in Zoutleeuw.”

Wedstrijden blijven sowieso een heikel gegeven, vervolgt hij. “Bij mijn komst deed mijn vader aan veel wedstrijden mee. Dat sluisde niet alleen veel financiële middelen weg, maar kon ook emotioneel zwaar doorwegen, als je de zoveelste keer op rij bot ving. Anderzijds zijn wedstrijden onmisbaar als je het bureau een bepaalde richting uit wil sturen wat aard en omvang van de projecten betreft. Momenteel beperken we ons tot een of twee zorgvuldig gekozen wedstrijden per jaar. De aanpak in twee fasen met eerst een kandidatuurstelling is een goede zaak, maar je moet natuurlijk wel bij de final four of five belanden. Bovendien worden heel wat wedstrijdprojecten uiteindelijk niet gebouwd en is de vraag naar referenties moeilijk in te vullen, zodat je al snel tot een samenwerking moet overgaan. Voor de Open Oproep betreffende de omvorming van de cultuursite De Woeker in Oudenaarde tot een volwaardig cultuurcentrum hebben wij bijvoorbeeld de handen in elkaar geslagen met LAN Paris, een Frans bureau dat onlangs het interessante theater Le Maillon in Straatsburg realiseerde.”

Opkrikken en onderkelderen

Die ontwerpfilosofie trekken ze steeds radicaler door, betogen beide architecten, verwijzend naar een recent opgeleverd project in Knokke-Heist. “De opdrachtgever, voor wie we ruim tien jaar geleden al eens een appartement in Waregem inrichtten, had daar een villa gekocht. Hij wou per se een kelder, maar dat vergde een sloop die de lokale overheid niet toestond. Als oplossing hebben wij de woning afgesneden, onderstut en onderaan verrijkt met een compleet glazen volume. Het resultaat is een soort lappenpop met een transparant volume beneden dat reminiscenties oproept aan Mies van der Rohe, en daarboven een cottagevilla in de typische Anglo-Normandische stijl.”

Over de ontwerpvisie en -strategie zijn vader en zoon het volmondig eens, maar is dat ook voor de rest altijd het geval? Seger Demulle: “Wij zijn heel verschillend van karakter. Ik ben een architect-bouwer, die zijn inspiratie put uit het werk zelf: raakt het je, hoe wordt het beleefd? Mijn vader daarentegen is een wandelende encyclopedie met een rijke theoretische achtergrond. Omdat ik beroepsmatig veel meer vanuit mijn buikgevoel reageer, loop ik over het algemeen niet warm voor particuliere bouwprojecten. Opdrachtgevers zijn immers op een heel andere manier betrokken bij hun eigen woning dan bij een kantoor of een commercieel gebouw, wat het proces bemoeilijkt. Uiteraard zijn er uitzonderingen op die regel. Zo bouwen we momenteel aan de achterzijde van het Prinsenhof in Gent een woning voor een koppel uit de medische sector, die na een lange periode in het buitenland terugkeren naar eigen land en bij hun speurtocht naar een ontwerper bij ons belandden. Zij zijn ideale bouwheren die ons niet afremmen maar eerder nog wat verder pushen.”

Outsiders uit de Vlaamse Ardennen

Het architectenbureau telt momenteel acht medewerkers en is horizontaal georganiseerd. Seger: “Iedereen is projectarchitect. Ook stagiairs krijgen na een zestal maanden een – uiteraard kleiner – project toegewezen, dat ze onder supervisie van a tot z beheren. Omdat we stilaan bewust naar grotere projecten evolueren, zouden we eigenlijk enkele extra mensen kunnen gebruiken. Gezien onze afgelegen ligging mikken we vooral op medewerkers uit de regio, want een dagelijkse lange verplaatsing met de wagen of het openbaar vervoer leidt op termijn bijna onvermijdelijk tot metaalmoeheid. Toch hebben we geen probleem met de recrutering, en waren er hier al meermaals mensen uit het buitenland aan de slag. Ik heb een verhuizing naar de stad overwogen, maar intussen ben ik helemaal gewonnen voor een lokaal bureau dat geografisch breed actief is en met de blik van een outsider stedelijke projecten kan benaderen. Die outsiderpositie bekleedden we ook al in de tentoonstelling BEL:EST voor de Architectuurbiënnale TAB 2017 in Tallinn, waarin vijf Belgische en vijf Estlandse bureaus zich bogen over de stedelijke uitdagingen in Brussel. ‘Je hebt een outsider nodig onder de deelnemers’, betoogden wij bij onze kandidatuurstelling, en die boodschap viel niet in dovemansoren.”

“We mikken zeker niet op een grote groei. Een team van een tiental mensen lijkt ons ideaal als je iedereen wil blijven volgen. Via samenwerking kan je indien nodig altijd de gewenste expertise of extra ontwerpkracht aan boord halen. We zeggen ook niet neen tegen kandidaten die willen doorgroeien, maar dan moeten ze wel over de gepaste capaciteiten beschikken.”

“Financieel blijft het altijd opletten. Wij baseren ons nog overwegend op de vroegere barema’s, maar bouwheren openen steevast een discussie over de erelonen. Een moeilijk gegeven, te meer daar onze manier van werken met een intensief proces en onze keuze voor telkens nieuwe en uiterst gedetailleerde concepten heel arbeidsintensief is. Het monopolie van de architect vormt wat dat betreft geen meerwaarde, vrees ik, evenmin als de bereidheid van collega’s om te lage erelonen te hanteren. We ontberen een echte architectuurcultuur waarin architecten ook financieel op het nodige respect kunnen rekenen. We staan bv. geregeld in contact met de Zwitserse architect Valerio Olgiati die schitterende betonarchitectuur realiseert en met wie we graag een samenwerking zouden opzetten. Hoewel er in Zwitserland geen monopolie is, hanteert Olgiati minimaal een ereloon van 24%.”

“Wij zijn architecten, geen managers. Om het management te professionaliseren, komt weldra een van mijn zussen mee aan boord als office manager. Zij zal zich toeleggen op de calculatie, alles financieel beter stroomlijnen en het algemene dagelijks beheer op zich nemen, wat ons de vrijheid geeft ons te concentreren op waar we sterk in zijn.”

Nieuwe wegen, oude grenzen

Op de toekomst van de architect heeft Frank Demulle een duidelijke visie. “De architect is de enige bouwpartner die zich om de (on)hebbelijkheden van de mens bekommert. In die humane context ligt onze toekomst. Voor de gepaste invulling van de technische dimensie, die de laatste twee decennia almaar aan gewicht heeft toegenomen, staan er voldoende andere partners klaar. Ook administratief en reglementair is ons beroep er zeker niet eenvoudiger op geworden. Dat vergt veel energie van ons architectenteam. Stedenbouwkundige diensten klampen zich te dikwijls vast aan de letter van de reglementering en laten weinig of geen marge voor een constructief overleg. In Oudenaarde wist ik destijds de oekaze dat gebouwen hoogstens vijf verdiepingen mochten tellen, te omzeilen door een project op twee verschillende nokhoogtes te laten aansluiten, waardoor het aan de ene zijde tot zes bouwlagen hoog oprees. Een dergelijke uitzondering erdoor krijgen is vandaag erg moeilijk. Voor een gepland project in Gent vinden we zes verdiepingen de ideale oplossing, maar onze bouwheer wil dat niet voorstellen uit angst dat hij daarmee alle bruggen zal opblazen en zelfs de kleinste toegeving achteraf zal hypothekeren. Voor het al vermelde project nabij het Prinsenhof, waarin sprake is van hospita- en kangoeroewonen, krijgen we geen twee aparte toegangen vergund. Ook het project van Seger met woningen bovenop een fabriek in Oudenaarde had heel wat voeten in aarde, terwijl je daarmee toch een kwaliteitsvolle stedelijke verdichting realiseert en de ruimte optimaal benut.”

Seger Delmulle: “Anderzijds kan je argumenteren dat het glas halfvol is gezien de appetijt voor mixed use. In Oudenaarde hebben we, in het zog van de woningen bovenop de fabriek en na de obligate gesprekken over zaken als de dakhelling en de voordeurnummers, bv. groen licht gekregen om woningen bovenop een parkeergarage te realiseren. Eigenaars spitsen hun oren bij een dergelijk verhaal, want hun beschikbare ruimte krijgt plots een niet te verwaarlozen meerwaarde en voor de nagestreefde stedelijke verdichting opent het mooie perspectieven.”

http://delmulledelmulle.be/

Door Colette Demil en Staf Bellens

“Soms vraag ik me wel eens af waar het bureau had gestaan als ik mij niet in de architectuuropleiding had geëngageerd, maar dat is natuurlijk een hypothetische kwestie.”

“Vorm is voor ons een logisch uitvloeisel van een uitvoerig proces. Architectuur is in eerste instantie een sociaal-maatschappelijk en niet een esthetisch vormgevend beroep. Discussies over mooi en lelijk hebben dan ook geen zin.”

“Wedstrijden zijn onmisbaar als je het bureau een bepaalde richting uit wil sturen wat aard en omvang van de projecten betreft. Momenteel beperken we ons tot een of twee zorgvuldig gekozen wedstrijden per jaar.”

“We mikken zeker niet op een grote groei. Een team van een tiental mensen lijkt ons ideaal als je iedereen wil blijven volgen. Via samenwerking kan je indien nodig altijd de gewenste expertise of extra ontwerpkracht aan boord halen.”

“Wij baseren ons nog overwegend op de vroegere barema’s, maar bouwheren openen steevast een discussie over de erelonen. Een moeilijk gegeven, te meer daar onze manier van werken met een intensief proces en onze keuze voor telkens nieuwe en uiterst gedetailleerde concepten heel arbeidsintensief is. Het monopolie van de architect vormt wat dat betreft geen meerwaarde, vrees ik, evenmin als de bereidheid van collega’s om te lage erelonen te hanteren.”