@HOME  
Dimension 45 – september 2017

Ralf Coussée en Klaas Goris – Coussée & Goris architecten

“De tijd is altijd onze partner geweest”

Het regende de voorbije maanden volop prijzen voor Coussée & Goris architecten. Hun crematorium in Holsbeek werd onderscheiden met de European Architecture Award in de categorie Industry. Voor hun oeuvre kregen zij de Jo Crepain carrièreprijs. De zoveelste erkenningen voor een uitzonderlijke architectuurpraktijk.

“De tijd is altijd onze partner geweest. We zijn nooit ten prooi gevallen aan ongeduld, maar hebben steevast rustig doorgewerkt, in de overtuiging dat de resultaten wel zouden volgen. Zo is ons werk langzaam gegroeid.” Architectuur als ambacht, het zit in de familiegeschiedenis van beide architecten gebeiteld. Ralf Coussée (1959, Roeselare) is de zoon van een aannemer voor wie architectuur ‘goed gebouwd’ moest zijn. De sensibiliteit voor de poëzie van het bouwen kreeg hij mee van zijn Duitstalige moeder die haar droom om binnenhuisarchitect te worden gedwarsboomd zag door de oorlog. De grootmoeder langs moederszijde van Klaas Goris (Brussel, 1960) had een groot atelier voor kinderkleding. Zijn vader, studiegenoot en vriend van Pieter De Bruyne, gaf les als interieurarchitect en stamt uit een familie van meerdere generaties kunstsmeden.

Ze volgden allebei architectuurstudies aan de Sint-Lucas Architectuuracademie, Ralf Coussée in Gent, Klaas Goris in Brussel. Bij gebrek aan interessante stagekansen in het medio jaren 1980 door een bouwcrisis geteisterde België, trokken ze na die studies allebei naar het buitenland. Ralf Coussée volgde in Salzburg de zomeracademie voor beeldende kunst bij professor architect Wilhelm Holzbauer en diens assistent François Valentiny. Gebiologeerd door de manier waarop zij hun projecten grafisch voorstelden, peilde hij bij hen naar de mogelijkheid om in Oostenrijk aan de slag te gaan. Die kans bood zich niet meteen aan, maar toen Ralf Coussée na de zomeracademie op goed geluk naar Wenen trok, vond hij via Valentiny een plek op het bureau van professor architect Rob Krier. Daar belandde hij middenin het proces van de Internationale Bauausstellung Berlin, het wonderlijke alchemistenlaboratorium van een internationaal puikje van architecten. Later vervoegde hij het bureau Hermann & Valentiny.

“Het proces van het bouwen vinden we heel boeiend. Een van ons beiden volgt elke werf op. Als we dat niet meer doen, zou een belangrijk deel van ons werk verloren gaan.”

 

Klaas Goris verkaste na zijn studies met een beurs van het Italiaanse consulaat naar Milaan om aan de Politechnico een aanvullende studie landschapsarchitectuur te volgen. Vandaar was het een kleine stap naar Mendrisio (Ticino), waar hij bij autodidact Ivano Gianola onder meer de realisatie van een privé designschool in Coldrerio voor de befaamde textieldynastie Schlaepfer uit Sankt Gallen mocht begeleiden. Ticino, toen de bakermat van de veel geroemde Zwitserse architectuur, had hij waarschijnlijk nooit meer verlaten als zijn legerdienst hem niet had teruggevorderd naar België.

Verre ontmoeting

Toen Ralf Coussée werd gevraagd om voor Hermann & Valentiny de aanleg van het Schumanplein in Luxemburg te begeleiden, moest hij in Wenen worden vervangen. Ralf vroeg zijn promotor Christian Kieckens of die een geschikte kandidaat kende. Kieckens raadde een pupil van zijn goede vriend en leermeester Pieter De Bruyne aan, ene Klaas Goris. Zonder elkaar ooit gezien te hebben, was de band gelegd.

De eerste fysieke ontmoeting was opnieuw gestempeld Christian Kieckens. Tijdens een van de tentoonstellingen van diens Stichting Architectuurmuseum S/AM, zeg maar de moeder van de architectuurcultuur in Vlaanderen, stelde Kieckens de twee aan elkaar voor.

De kiem voor de samenwerking werd dan weer gelegd door Bacob, de bank die onder impuls van Michel Mast en Karel Vandereycken getalenteerde architecten de kans bood om hedendaagse architectuur te ontwerpen. Onder de uitverkorenen bevonden zich ook Ralf Coussée en Klaas Goris, toen allebei nog via een eigen praktijk in respectievelijk Roeselare en Brussel (later Meise). Op zekere dag kreeg Klaas Goris de vraag om een project voor Bacob in Pittem te realiseren. Gezien de geografische en linguïstische afstand zocht hij een brother in arms, die hij vond in Ralf Coussée. Vanaf toen werkten de twee sporadisch samen.

In 1998 besloten ze die samenwerking te intensifiëren en kochten ze als werkstek voor hun gezamenlijke bureau een van de sterk vervallen gebouwen op de UCO textielspinnerij vlakbij het huidige gerechtsgebouw in Gent.

Wedstrijden leren maken

“Met ons werk voor Bacob hadden we enkele prijzen gewonnen. Daardoor volgden er vanuit andere financiële groepen opdrachten. Intussen tekende zich in de sector een globalisering af die architecturaal tot een uniformisering leidde. Toen Bacob werd overgenomen, stapten de voortrekkers van een hedendaagse architectuur daar op. Wij hebben dan bewust een punt gezet achter dergelijke opdrachten en ons toegelegd op particuliere woningen, in die periode een belangrijk tweede luik in onze activiteiten.”

In 1999 werd Bob Van Reeth de eerste Vlaams Bouwmeester en zag de Open Oproep het daglicht. “In tegenstelling tot de nieuwe lichting jonge architecten hadden wij geen ervaring met wedstrijden. Daardoor grepen we een paar keer mis. Omdat de afknappers financieel zwaar doorwogen, besloten we definitief te kappen met wedstrijden.”

“Architectuur gaat om bescherming, net als kleding. Maar waar kleding tegen je lichaam zit, staat architectuur verder van je af.”

 

Tot De Boerekreek op tafel kwam. “Een gebouw in zo’n mooie omgeving? Het herinnerde ons aan de Riva San Vitale aan het meer van Lugano van Mario Botta, die daar eigenlijk liever niet wou bouwen, maar de opdracht uiteindelijk aanvaardde om erger te voorkomen. Dan toch nog een poging wagen, dachten we.” Dat jeugd- en recreatiecomplex betekende niet alleen het startschot voor het grotere werk, maar sindsdien won het bureau ook nagenoeg alle wedstrijden waaraan het deelnam. Hun geheim? “We schrijven alleen in op vragen waarvoor we een sterke, poëtische en landschappelijke oplossing kunnen bieden. Een project moet boeiend zijn. Na Hofheide een tweede crematorium bouwen, kan ons niet bekoren, tenzij het bijvoorbeeld om een unieke locatie zou gaan. Elk programma opnieuw analyseren vergt veel studiewerk, maar net daardoor zijn we in staat om een ander antwoord te formuleren.” Tot vandaag staat Klaas Goris, sinds 1992 ook hoofddocent aan de Sint-Lucas Architectuuracademie Brussel/Gent, in voor de redactie en de opmaak van elke wedstrijdbundel. Een hele opgave, toch? “Ja, maar we schrijven dat boek terwijl we aan de wedstrijd werken. Zo proberen we te begrijpen wat we doen.”

Architectuur van dialogen

Architectuur zien Coussée & Goris als een vorm van zelfonderzoek. “Iets goed kunnen maken is een lichamelijk gegeven, dat zit in je. Als kinderen van de moderniteit verrichten we een zoektocht naar wat die voor ons betekent. Daarbij hanteren we een beperkt aantal architectuurtechnieken en -elementen. Als jonge architect ga je op pad met een welgevulde rugzak, maar hoe hoger je trekt, hoe lichter je die maakt. We schrikken ook niet terug voor herhaling. Bekende elementen uit onze architectuurtaal zijn bijvoorbeeld de doos in de doos of de glazen stolp. Het gaat altijd om bescherming, net als kleding. Maar waar kleding tegen je lichaam zit, staat architectuur verder van je af. In de ruimte en het licht tussenin de poëzie zoeken door de juiste balansen te creëren, bijvoorbeeld tussen monumentaliteit en intimiteit, dat interesseert ons. Die dialogen klinken door in heel ons werk.”

Opmerkelijk is het relatief grote aantal industriegebouwen in hun oeuvre. “Die opdrachten hebben wij nooit geschuwd. Wij hebben er ook veel meer uit opgestoken dan uit onze woningen. Snel en economisch bouwen, prefab, de ruwbouw als eindresultaat, dat heeft ons werk sterk beïnvloed. Wij dachten altijd na over hoe we meer konden halen uit een ogenschijnlijk eenvoudige opdracht. Zo kregen we de kans om onze architectuur te ontwikkelen en verfijnen.”

Architectuur wordt structuur

Belangrijk is tevens de interactie met de andere bouwpartners. “Het proces van het bouwen vinden we heel boeiend. Elke werf wordt door een van ons beiden opgevolgd. Als we dat niet meer zouden doen, zou een belangrijk deel van ons werk verloren gaan. Dankzij de gesprekken op de werf rijzen er sneller ideeën of komen er vlotter oplossingen tot stand. In de werffase evolueert ons werk nog veel.”

In de zoektocht naar poëzie speelt de structuur van het gebouw en dus de relatie met de ingenieur een essentiële rol, aldus de architecten. “Wij werken al vele jaren samen met Guy Mouton. Samen zoeken we naar de beste oplossing van architectuur en stabiliteit, zonder dat een van beide partijen zich wil affirmeren. Zo komen we tot verrassende oplossingen waarvan niemand nog weet of het architectuur of structuur is, of wie als eerste het idee heeft geopperd. Kijk maar naar de kolommen in de grote tentoonstellingszaal van het Zwin, het dragende gebinte in de manege van De Boerekreek, de vrije plafonds zonder doorhangende balken en de metalen luifel in crematorium Hofheide, de manier waarop bepaalde delen in de Waalse Krook over drie verdiepingen zijn opgehangen om openheid en bewegingsvrijheid te creëren. Soms wordt een gebouw volledig constructie, zoals in de Waalse Krook waar geen schilder- of pleisterwerk te zien is.”

Met andere architectenbureaus blijft de samenwerking beperkt. “We doen wel eens iets met mensen die bij ons zijn gestart, maar daar blijft het bij. De spreekwoordelijke uitzondering zijn RCR Arquitectes, sinds ruim drie decennia goede vrienden van ons. We hebben elkaar leren kennen in 1995 op de uitreiking van de Euro-Belgian Architectural Awards. We zijn toen samen iets gaan eten en hebben de volgende dagen gezamenlijk uitstappen gemaakt. Nadien is de band verder gesmeed tijdens vakanties in Spanje en zijn we elkaars werk blijven volgen. Waarom niet eens samenwerken, was de logische volgende vraag. Samen hebben we de wedstrijden voor het crematorium Hofheide in Holsbeek, Transfo in Zwevegem, The Edge in Dubai – door de crisis jammer genoeg nooit uitgevoerd – en de Waalse Krook gewonnen.”

Bouwheer als procespartner

Een andere bepalende factor in het bouwproces is de bouwheer. “Wij hebben het geluk dat wij vooral worden aangesproken door sterke opdrachtgevers. Zij vervullen bij ons een belangrijke rol in het proces. Die ingesteldheid hebben we altijd gekoesterd. Niet toevallig zijn heel wat van onze opdrachtgevers architect, zoals de galerijhouder van Zeno X en onze gesprekspartner bij Belgacom voor de Portussite. De laatste tijd werken wij ook veel voor kunstenaars, eveneens mensen die een groot driedimensionaal inzicht hebben en voor wie licht en ruimte essentieel zijn. Met hun visie en ideeën beïnvloeden zij onrechtstreeks ons werk, wat wij dan weer heel interessant vinden.”

“We zijn niet happig op PPS-opdrachten, omdat het commerciële daar over het algemeen een sterk bepalende factor is.”

 

Van een bouwheer verwachten de architecten op hun beurt dat hij respect koestert voor wat hij krijgt en daar achteraf zorgvuldig mee omspringt. “Sommige opdrachtgevers zien alleen maar het programma dat moet worden ingevuld, terwijl een goed gebouw veel meer is dan dat. Voor ons behoort het tot de taak van de bouwheer om dat mee te dragen. Sinds een tijdje zijn we daar ferm in. Wij vinden dat een bouwheer de eerste tien jaar na de oplevering niets aan het gebouw mag veranderen of een andere architect ingrepen mag laten uitvoeren. Als hij dat wel doet, zou in principe onze tienjarige aansprakelijkheid moeten wegvallen. Als je zelf aan de elektrische installatie of aan je auto sleutelt, valt de garantie toch ook weg? Nazorg is voor ons een belangrijk begrip, niet zozeer technisch maar wat het functioneren van het gebouw betreft. Als de Waalse Krook blijvend veel meer bezoekers trekt dan was vooropgesteld, willen wij graag mee betrokken worden bij de vraag hoe we dat kunnen aanpakken. In het Zwin hebben we die afspraak voor het eerst expliciet vastgelegd. Maar niet overal valt dat even goed. Mensen beseffen soms niet wat ze krijgen en welke meerwaarde de architect biedt. Zij beschouwen die laatste als een noodzakelijk kwaad of kijken louter naar de commerciële meerwaarde. Het gevaar is dat, als architecten daarin meegaan, die spiraal alleen maar sneller draait. Dat is duidelijk nooit onze keuze geweest. Vandaar dat we ook niet happig zijn op PPS-opdrachten, omdat het commerciële daar over het algemeen een sterk bepalende factor is.”

De volgende uitdaging

Wat staat er op het programma? De omvorming van de Belgacomtoren wordt een grote kluif, waarvan de start der werken gepland is voor 2020 of later. Intussen zijn twee slapende projecten weer tot leven geblazen. Het eerste is de realisatie van een glazen stolp rond de Transfo in Zwevegem, een ingreep die na de lokale politieke wissel van de macht tijdelijk werd opgeschort. Het andere is een kantoorgebouw voor Loveld, de betonexpert wiens prefaboplossingen onder andere terug te vinden zijn in de uitbreiding van New Tate Modern (Herzog & de Meuron) en in tal van torengebouwen in de Londense City. Coussée-Goris architecten hadden deze opdracht verworven via een besloten wedstrijd, maar door omstandigheden liet de uitvoering op zich wachten. Naast het gebouw ontwierpen zij ook een betonelement waarmee het bedrijf zijn terrein zal afbakenen, en dat moet illustreren welke expertise de firma in huis heeft.

“Na 30 jaar architectuurpraktijk moet je nadenken over wat je nog wil doen. Een van onze persoonlijke interesses is de kunstwereld. Wij hebben daar goede contacten en tellen er nogal wat vrienden, die samen met ons zijn gegroeid in hun werk en ons nu opdrachten toevertrouwen. De inrichting van de Zeno X gallery heeft het bureau wat dat betreft zeker een nieuw elan gegeven. Voor de rest hebben wij een adempauze ingebouwd om enkele draden op te pikken die al langer rafelden. In 2018 komt er een vervolg op ons eerste boek dat alweer uit 2006 dateert. Daarvoor werken wij samen met Christian Kieckens, een van de meest kritische observatoren in de architectuur- en cultuurwereld. Ook met hem stellen we voor deSingel de tentoonstelling Natura Naturans samen. Met dat begrip bedoelt Spinoza dat je de dingen in jezelf moet zoeken als je jezelf artistiek of anderszins wil uitdrukken. Verder volgen er nieuwe lezingen, iets waar ook vraag naar was. En intussen kunnen we ons opladen voor een volgende wedstrijd.”

Wat mag dat worden? “Openbare gebouwen en moeilijke thema’s blijven ons uiteraard interesseren en sluiten aan bij ons maatschappelijk engagement als architect. Het Zwin bouwen wij niet voor onszelf, maar voor de generaties die daar meer over de natuur zullen leren. Hetzelfde geldt voor de Waalse Krook. Publieke projecten in eigen stad hebben het voordeel dat je er zelf gebruik kunt van maken.”

Past sociale woningbouw niet perfect in dat plaatje? “Ja, een dergelijke opdracht is ons als het ware op het lijf geschreven. Door repetitie van bouwelementen, plannen en dergelijke kan je daar heel wat verwezenlijken. Ook een meer rudimentair, robuust materiaalgebruik zou in die sector een goede zaak zijn, want die woningen worden soms compleet uitgeleefd. De vraag hoe je de bewoners kunt laten groeien, lijkt ons eveneens erg interessant. Maar dan zouden wij wel compleet vrij moeten kunnen denken, los van lastenboeken en rigide regels. Of dat een haalbare kaart is, is een andere zaak.”

Door Colette Demil en Staf Bellens

www.coussee-goris.com

Agendatips: Op 21 november aanstaande geeft Carme Pigem van RCR Arquitectes een A+LEZING in Bozar te Brussel.

Van 23 februari tot en met 10 juni 2018 loopt in deSingel de tentoonstelling Natura Naturans van Coussée-Goris architecten.