PEOPLE & PROJECT  
Dimension 79 – februari 2026

“Een goed project start met een goed begrip van wat er al is”

Sarah Poot (Poot Architectuur)

“Ingetogen, maar trefzeker; fluisterend, haast breekbaar en zelfverzekerd tegelijk.” Zo omschreef juryvoorzitter Jan Peter Wingender, naar aanleiding van de bekroning van het project Kasteel met de ARC25 Transformatie en Renovatie Award, het werk van Poot Architectuur. Sarah Poot is dan ook een ontwerper pur sang. Dat merk je onder meer aan de projectkeuze, de doordachte ingrepen en de doorgedreven detaillering, maar evenzeer aan de manier waarop ze haar architectuurbureau runt.

Het project Kasteel omvat de renovatie van een Antwerps schoolgebouw in de Kasteelstraat tot een stedelijk lyceum met plaats voor 240 leerlingen en illustreert treffend waarvoor Poot Architectuur staat: menselijke programma’s, een welbedachte omgang met de binnenstedelijke context en het bestaande patrimonium, een holistische blik op duurzaamheid en een bijzondere aandacht voor detail. “We willen in de eerste plaats voor mensen bouwen,” vertelt Sarah Poot, “maar wel steeds met een bepaalde schoonheid. Het is niet omdat een programma een belangrijke sociale dimensie heeft, dat de architectuur zuiver praktisch of rationeel moet zijn. Integendeel. Ik geloof heel erg dat schoonheid ervoor zorgt dat gebouwen langer gebruikt worden. Het vormt het collectief geheugen en bepaalt mee het geluk van de gebruiker. Als ik terugdenk aan het gebouw waar ik heb schoolgelopen, dan kan ik mij perfect bepaalde sferen herinneren. Dat is een van de redenen waarom we zo van renovatieprojecten houden. Bestaande gebouwen zijn vaak heel rijk. Ze hebben aanzienlijk meer detail dan wat we vandaag nog kunnen bouwen. Als je daar een betekenisvolle laag aan kan toevoegen, wordt het enorm interessant.”

Uitgepuurd

Licht, ruimte, verhoudingen, tactiliteit, … Schoonheid omvat volgens Poot veel zaken. Wat het niet is, echter, is een specifieke vormentaal. “Onze projecten vormen telkens een eigen verhaal. Dat ontstaat niet vanuit bepaalde formele ideeën, maar veeleer vanuit noties over het gebruik. We trachten daarbij heel goed te lezen en te begrijpen wat er al is enerzijds en wat er nodig is anderzijds. Dat is niet altijd letterlijk, of althans niet alleen, wat de bouwheer vraagt. We proberen dat echt breder te bekijken. En dan is het een kwestie van erop te werken. Het is niet omdat een bepaalde ingreep er eenvoudig uitziet, dat die er ook zomaar ineens uitrolt. Het is zoeken, tekenen en blijven proberen. Soms tot in de uitvoeringsfase toe.”
De aanpak van Poot Architectuur resulteert in uitgepuurde ingrepen met vaak grote impact. In de Kasteelstraat wordt het ontbreken van gangen door de toevoeging van een luifel rondom de centrale buitenruimte tot een kracht van het project gemaakt; bij de uitbreiding van de school Pius X biedt de keuze voor buitencirculatie een duidelijk antwoord op het tekort aan buitenruimte. Ook op kleinere schaal, ongeacht of het over nieuwbouw of renovatie gaat, bepalen schijnbaar eenvoudige ontwerpkeuzes vaak de kwaliteit van een project. Zo transformeert de planindeling van het project Verzoening, de eigen woning van Poot, de beperkingen van het kleine, driehoekige restperceel tot een extra ruimtelijke kwaliteit en zorgt een marmeren supermeubel waarin keuken, aanrecht en zitmeubel samenkomen in het project Grote Hond voor de organisatie van de nieuwe achterbouw. “Het is fijn als we in een project ook zaken zoals inrichting en meubilair kunnen meenemen”, stelt Poot. “Voor ons is dat eigenlijk één geheel. Soms komt de oplossing voor een vraag nu eenmaal uit een onverwachte hoek, of kan je door middel van een meubel de akoestiek oplossen.”

Tweespalt

Hoewel boeiend, is de tweespalt waarin Poot Architectuur momenteel opereert, tussen particuliere woningen aan de ene kant en publieke, veelal sociale, opdrachten aan de andere kant,  geen evidentie. Particuliere projecten zorgen voor continuïteit, maar zijn voor een bureau met meerdere werknemers zelden rendabel; publieke opdrachten vergen dan weer grote en vooral erg onzekere investeringen. “Op beide niveaus proberen we nu om selectiever te zijn”, geeft Poot toe. “Alle factoren moeten kloppen. Maar ergens is dat ook jammer. Om voldoende kans te maken op een publieke opdracht lijkt het bijna alsof we enkel nog kunnen kandideren op programma’s waarmee we al ervaring hebben. Zo komen we in een situatie terecht waarbij wij enkel nog scholen bouwen en een bureau zoals OSAR enkel nog ziekenhuizen. Terwijl het soms net een open of zelfs naïeve blik is die tot het beste project leidt.” 
Zo’n alternatieve benadering kenmerkt alvast Raakzaam, het eerste zorgproject van Poot Architectuur. Samen met Schenk Hattori werd het bureau via een Open Oproep geselecteerd voor de nieuwbouw van twee woonbuurten voor personen met een beperking in Sint-Niklaas, die momenteel in uitvoering zijn. “De Open Oproep schenkt inderdaad minder aandacht aan referenties en biedt in dat opzicht meer kansen, maar ook daar schort er nog iets aan de formule. Want hoewel er sinds de recente herziening in principe enkel visie gegeven moet worden, zien we dat veel bureaus - ondanks de lagere biedvergoeding! - toch nog steeds met een volledig ontwerp komen opdraven. Op die manier blijven we het elkaar moeilijk maken. Voor mij is het op dit moment dan ook bijna belangrijker dat het onder eerlijke omstandigheden gebeurt, dan dat we de opdracht binnenhalen. Een formule zoals de architectenpool van AG Vespa, waarvoor je een uitvoeringsdossier moet indienen, lijkt me in dat opzicht veel eerlijker.”
Of de recente bekroning van het schoolproject in de Kasteelstraat - een opdracht die voortkwam uit die architectenpool - een impact zal hebben op het opdrachtenboekje, kan Poot nog niet zeggen. “Van collega’s krijgen we weliswaar veel appreciatie, maar helaas is dat niet hetzelfde als een nieuwe opdracht. We kunnen dus maar hopen dat het project blijft nazinderen en dat opdrachtgevers daardoor de weg naar ons vinden. Al wil ik ook daarin selectief blijven. Elke opdracht kan interessant zijn, maar op het einde van de rit moet een project zowel haalbaar als uitdagend en architecturaal interessant zijn. Ik ben niet het type om opdrachten aan te nemen louter om de machine draaiende te houden.”

Versterkend werken

Poot is architecte in de eerste plaats; zaakvoerder van een architectenbureau pas in de tweede plaats. Ze rolde dan ook al heel vroeg en eerder toevallig in die rol, toen ze kort na haar stage samen met Luc Roegiers voor het eerst geselecteerd werd voor de toenmalige grond- en pandenpool van AG Vespa. “De selectie zou ons wel wat opdrachten opleveren, dus het was logisch om op dat moment een bureau op te starten. Alleen zijn we daar als architect totaal niet voor opgeleid. We zijn ontwerpers. Daarom vind ik het belangrijk om de projecten mee te kunnen blijven opvolgen. Voor elk project is er weliswaar een ervaren projectarchitect, maar we kiezen ervoor om de projecten ook regelmatig in groep te bespreken. De verschillende inputs van de medewerkers vormt wat mij betreft echt een rijkheid en de bedoeling is om elkaar te versterken.  Het is aangenaam dat we dat met de huidige ploeg van een zestal medewerkers nog heel horizontaal en spontaan kunnen organiseren, maar dat betekent geenszins dat we klein willen blijven. Mits een goede bureaustructuur ben ik ervan overtuigd dat we diezelfde sterktes kunnen aanboren in een groter team en voor grotere projecten.”
De aanloop naar die bureaustructuur werd een vijftal jaar geleden al genomen. Sindsdien heeft Poot Architectuur, ondanks de vooralsnog kleine schaal van het bureau, een deeltijds office manager in dienst heeft. “De beste beslissing in jaren”, lacht Poot. “Voorheen vraten zaken zoals boekhouding en facturatie alleen maar energie. Ik deed het niet graag en het kostte me enorm veel tijd. Daarvan word ik nu gevrijwaard. Ik kan me volledig op de architectuur richten, terwijl onze office manager voor de contracten zorgt, facturen opmaakt en opvolgt, koffie bestelt, aanbestedingen screent, enzovoort. Ik zou het niet meer anders kunnen.”
Poot beseft dat ze als vrouwelijke zaakvoerder van een architectenbureau ook een belangrijke voorbeeldfunctie heeft. “Er blijven nog steeds heel veel vrouwen het beroep verlaten. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat we als vrouw nog steeds niet op dezelfde manier behandeld worden. Ik weet dat veel vrouwen ook de combinatie met het moederschap als heel moeilijk ervaren. Daarom vind ik het belangrijk om deel uit te maken van PAF en het probleem te blijven benoemen. In mijn eigen kantoor tracht ik vooral om iedereen gelijk te behandelen en de juiste condities te scheppen om ook moeders aan de slag te houden. We zorgen er bijvoorbeeld voor dat er ’s avonds of in het weekend niet gewerkt moet worden. Maar het is heus niet omdat je kinderen na school een paar uur in de opvang moeten blijven, dat je een slechte moeder bent. Een voorbeeld zijn voor je kinderen, maakt ook deel uit van je opvoeding.”

Extra muros

Naast architect en zaakvoerder, is Poot sinds 2019 ook gastdocent aan de faculteit architectuur van de KU Leuven - Campus Sint Lucas in Gent. “Het lesgeven stimuleert om terug naar dingen te kijken waar je al lang niet meer naar gekeken hebt, om te verwoorden waarom de dingen zijn zoals ze zijn en om te kijken wat er nu leeft. Daarnaast is het een manier om ook eens met collega’s te spreken in een context die niet competitief is. Je leert er enorm veel van bij. Daarom koos ik er ook voor om in Gent, en niet in Antwerpen, waar ik zelf studeerde, les te geven. Het is een cliché, maar het verschil in aanpak is effectief groot. Ik ben gevormd door de eerder rationele opleiding in Antwerpen, terwijl er in Gent veel meer nadruk ligt op het conceptuele en het grafische. Beide hebben hun voor- en nadelen, maar het is heel fijn om met allebei geconfronteerd te worden. Je komt letterlijk uit de bubbel van je eigen bureau.” 
Om diezelfde reden stelde Poot zich onlangs nog kandidaat voor de kwaliteitskamer van de stad Antwerpen. “Ik denk dat het belangrijk is om te weten wat er leeft, hoe de stad gevormd wordt en hoe dat beleidsmatig ingevuld wordt. Uiteindelijk is de stad datgene wat mij het meeste boeit en waar ook de grootste uitdagingen liggen. We moeten hier met hoe langer hoe meer wonen en dat met steeds minder middelen. Als architecten zullen we daarom heel goed moeten nadenken over hoe we met het bestaande patrimonium omgaan en hoe we kantoorgebouwen of andere grote structuren kunnen omvormen tot stedelijke gebouwen die meer functies in zich dragen. Dat is een vraagstuk dat ik heel graag zou aanpakken.”

Door Elise Noyez - foto's: Stijn Bollaert